Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
13-1501 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en beëindiging bijstand. Schending medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1501 WWB

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

18 februari 2013, 12/3718 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. L. Boon, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. N.D. Geraads, kantoorgenoot van mr. Boon.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 10 augustus 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande.

1.2.

Op 11 januari 2012 is door de gemeente een melding ontvangen vanuit het woonoverlast- en zorgteam dat betrokkene niet woonachtig is op het adres [adres 1] (uitkeringsadres), maar dat zijn dochter en haar kind daar wonen. Volgens deze melding heeft de dochter van betrokkene haar woning aan de [adres 2] (adres van de dochter) onderverhuurd. Bij deze melding is een brief van

14 oktober 2011 van [woningbouwvereniging] gevoegd en een verslag van een op

6 oktober 2011 door de sociaal beheerder van [woningbouwvereniging] afgelegd huisbezoek aan de woning van betrokkene. Naar aanleiding hiervan heeft een consulent buitendienst van de gemeente Eindhoven een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. Daarbij zijn de eerder opgevraagde bankafschriften betrokken, waaruit naar voren is gekomen dat betrokkene veel pintransacties verricht in de omgeving van de woning van zijn ex-echtgenote in [plaats] in de wijk[naam wijk 1], [naam gemeente 1]. Betrokkene woont zelf in de wijk [naam wijk 2] nabij het centrum van [naam gemeente 2].

1.3.

Betrokkene is bij brief van 20 maart 2012 uitgenodigd voor een spreekkamergesprek op 27 maart 2012. Omdat betrokkene niet is verschenen, is de bijstand bij besluit van 28 maart 2012 met ingang van 27 maart 2012 opgeschort en is betrokkene uitgenodigd voor een gesprek op 11 april 2012. Betrokkene is op deze afspraak verschenen. Hij heeft verklaard dat hij woonachtig is op het uitkeringsadres en dat zijn dochter op haar adres woont. Betrokkene heeft verder verklaard niet mee te willen werken aan een na afloop van het gesprek af te leggen huisbezoek. Het gespreksverslag is opgenomen in een op ambtsbelofte opgemaakt rapport van 11 april 2012.

1.4.

Bij besluit van 12 april 2012 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 27 maart 2012 ingetrokken op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld wegens schending van de inlichtingenverplichting.

1.5.

Bij besluit van 15 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 12 april 2012 ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering in die zin dat de uitkering met ingang van 12 april 2012 wordt beëindigd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek bestond. Daarom kan aan betrokkene niet worden tegengeworpen dat hij geen medewerking heeft verleend aan een aangekondigd huisbezoek op 11 april 2012. Betrokkene heeft de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB niet geschonden zodat appellant niet bevoegd was de bijstand van betrokkene op die grond in te trekken.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 27 maart 2012 tot en met 12 april 2012 (te beoordelen periode).

4.2.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.4.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig was. Een redelijke grond voor het huisbezoek is gelegen in de gegevens die appellant heeft verkregen vanuit het woonoverlast- en zorgteam. Die gegevens bestaan onder meer uit een brief van de woningbouwvereniging van 14 oktober 2011 waarbij de woningbouwvereniging aan betrokkene te kennen heeft gegeven de huur te willen opzeggen, omdat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft in de gehuurde woning. Uit het verslag van 8 oktober 2011 van een door een medewerker van de woningbouwvereniging afgelegd huisbezoek komt naar voren dat betrokkene tijdens dat bezoek niet thuis is aangetroffen, maar dat zijn dochter en haar zoon in die woning verbleven. Deze dochter heeft verklaard dat zij nooit heeft gewoond in de door haar gehuurde woning, dat haar vader dan daar en dan weer ergens anders woont en dat hij heel af en toe even in de door hem gehuurde woning komt.

4.5.

Gelet op de onder 4.4 genoemde feiten en omstandigheden, heeft appellant redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van de door betrokkene verstrekte informatie dat hij alleen op het door hem opgegeven adres woonde. Voorts heeft appellant terecht aangevoerd dat de woonsituatie, na het gesprek met betrokkene, niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kon worden geverifieerd. Het verrichten van heimelijke waarnemingen kan in dit geval niet worden aangemerkt als effectief middel, omdat er al een onderzoek van de woningbouwvereniging naar de woonsituatie van betrokkene en zijn dochter liep en betrokkene had verklaard dat zijn dochter af en toe bij hem verblijft.

4.6.

Appellant heeft onder de gegeven omstandigheden terecht van betrokkene verlangd dat hij medewerking zou verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Door de weigering van betrokkene medewerking te verlenen aan het huisbezoek, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zodat appellant bevoegd was de bijstand in te trekken.

4.7.

Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit beoordelen aan de hand van de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.

4.8.

Appellant heeft aan de intrekking van bijstand over de periode van 27 maart 2012 tot en met 12 april 2012 ten grondslag gelegd dat betrokkene, door geen medewerking te verlenen aan een na afloop van het gesprek op 11 april 2012 af te leggen huisbezoek, de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB heeft geschonden. De bijstand is met ingang van 27 maart 2012 opgeschort op de grond dat betrokkene niet op het gesprek op die datum is verschenen. Betrokkene is vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog informatie te verstrekken tijdens het gesprek op 11 april 2012. Omdat betrokkene op het gesprek op 11 april 2012 wel is verschenen kan niet gesteld worden dat hij in de periode van 27 maart 2012 tot 11 april 2012 de medewerkingsverplichting heeft geschonden. De intrekking van bijstand over de periode van 27 maart 2012 tot 11 april 2012 kan daarom geen stand houden.

4.9.

Betrokkene kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat niet van de juistheid van de inhoud van het verslag van 8 oktober 2011 van het huisbezoek op 6 oktober 2011 dat door de woningbouwvereniging is verricht mag worden uitgegaan, omdat dit verslag niet op ambtseed is opgemaakt. Geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het verslag van 8 oktober 2011. Daartoe is van belang dat de inhoud van dat verslag onder meer bevestiging vindt in een handgeschreven brief van 6 oktober 2011 van de dochter van betrokkene waarin zij heeft verklaard dat zij samen met haar zoon aan op het uitkeringsadres woont. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.10.

De stelling van betrokkene dat de gevolgen van het weigeren medewerking te verlenen aan een huisbezoek hem onvoldoende kenbaar zijn gemaakt, treft geen doel. In het rapport van 11 april 2012 wordt gerapporteerd dat betrokkene is gewezen op de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek, namelijk het feit dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

4.11.

Uit wat onder 4.8 is overwogen volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd dient te worden voor zover daarbij de intrekking over de periode van 27 maart 2012 tot 11 april 2012 in stand is gelaten.

4.12.

Omdat het hoger beroep slaagt, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De Raad zal, mede uit oogpunt van duidelijkheid, de uitspraak in haar geheel vernietigen, behoudens wat betreft de bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de periode van 27 maart 2012 tot 11 april 2012 in stand is gelaten. De Raad ziet tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 12 april 2012 in zoverre te herroepen. Een en ander betekent dat de intrekking van de bijstand met ingang van 11 april 2012 en de beëindiging van de bijstand met ingang van

12 april 2012 in stand blijven.

5.

De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van betrokkene voor verleende rechtsbijstand in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 974,-. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskostenvergoeding

en griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 15 oktober 2012, voor zover daarbij de intrekking over de periode

van 27 maart 2012 tot 11 april 2012 in stand is gelaten;

  • -

    herroept het besluit van 12 april 2012 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 15 oktober 2012;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van betrokkene in bezwaar tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.E.M. van Paddenburg

HD