Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2679

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
13-5849 WWB-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanvraag van appellant van 26 januari 2011 een herhaalde aanvraag is en dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:55
Algemene wet bestuursrecht 8:108
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/317
ABkort 2014/296

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 augustus 2014

13/5849 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende en tiende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2013, 12/4687 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

en

het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 11 maart 2014 heeft de Raad het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 juni 2014. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Met betrekking tot het verzet

De uitspraak van de Raad van 11 maart 2014 berust op de overwegingen dat het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet is betaald, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In verzet is gebleken dat appellant niet in verzuim is geweest. Het verzet is daarom gegrond.

Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 11 maart 2014 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten van het verzet betrekking kan hebben, is niet gebleken.

Met betrekking tot het hoger beroep

Met toepassing van de artikelen 8:55, tiende lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb zal de Raad tevens uitspraak doen op het hoger beroep.

Bij beslissing op bezwaar van 28 november 2012 heeft het college de afwijzing van de aanvraag van appellant van 26 januari 2011 om bijstand met ingang van 26 augustus 2009 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 28 november 2012 ongegrond verklaard.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daarin in onderdeel 9 van de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanvraag van appellant van 26 januari 2011 een herhaalde aanvraag is en dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het beroep en het hoger beroep is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- verklaart het verzet gegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van

D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

7 augustus 2014.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) D.W.M. Kaldenhoven

IvZ