Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
12-3381 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3381 WIA

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 mei 2012, 12/63 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.R. Changoer, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, werkzaam als voltijds buschauffeur, heeft zich op 30 december 2008 bij zijn werkgever ziek gemeld nadat hij op het bedrijfsterrein door een collega was aangereden. In september 2010 heeft appellant zijn werkzaamheden als buschauffeur hervat voor 50% van de werktijd.

1.2. Met toepassing van artikel 24 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is de wachttijd verlengd tot 29 maart 2011.

1.3. Met een op 31 januari 2011 door het Uwv ontvangen formulier heeft appellant een

WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 16 mei 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 29 maart 2011 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4. Appellant heeft tegen het besluit van 16 mei 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

28 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit gehandhaafd dat voor appellant geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige op grond waarvan het Uwv van mening is dat appellant op

29 maart 2011 geschikt was voor de maatgevende arbeid van voltijds buschauffeur.

2.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv de belastbaarheid van appellant, die is beschreven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 april 2011, niet overschat en is afdoende gemotiveerd waarom appellant met de voor hem in acht te nemen beperkingen voltijds als buschauffeur kan werken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij in verband met zijn nekklachten, migraine en klachten van depressieve aard meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan blijkt uit de FML. Hij acht zich nog niet in staat om meer dan twintig uur per week als buschauffeur te werken. Hij heeft erop gewezen dat het om werk gaat in een lawaaiige omgeving met blootstelling aan grote trillingen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. Blijkens zijn rapport van 27 april 2011 heeft verzekeringsarts Z. Sovan een anamnese afgenomen, eigen psychisch en lichamelijk onderzoek verricht, de voorhanden medische informatie van onder meer de bedrijfsarts bij zijn beoordeling betrokken, telefonisch overleg gevoerd met neuroloog E. Maréchal en blijkens zijn rapport van

1 augustus 2011 ook de later ontvangen informatie van de huisarts nog meegewogen. Bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst heeft de hoorzitting bijgewoond en blijkens zijn rapport van 9 november 2011 rekening gehouden met de ontvangen informatie van revalidatiearts S. de Groot-Borsje en neuroloog prof.dr. P. Cras.

4.2.

Uit het rapport van Sovan van 27 april 2011 blijkt dat de ontvangst van een brief van Maréchal van 11 april 2011 de aanleiding is geweest voor het telefonisch overleg. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat niet kenbaar is welke informatie in dat telefonisch overleg van Maréchal is verkregen. Sovan heeft de bevindingen van Maréchal kort weergegeven en vastgesteld dat de door Maréchal gesuggereerde urenbeperking niet is gegrond op nieuwe medische bevindingen en een onderbouwing met objectieve medische gegevens mist.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan zijn in de FML van 27 april 2011 vastgelegde belastbaarheid. Beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van werk in gevaarlijke omstandigheden, in een lawaaiige omgeving zonder adequate gehoorbescherming en met een grote trilbelasting. Met verschillende andere beperkingen is tot uitdrukking gebracht dat appellant niet belastbaar is met fysiek zwaar werk.

4.4.

Arbeidsdeskundige L. van Sandwijk heeft in zijn rapport van 11 mei 2011 een beschrijving opgenomen van de werkzaamheden van een buschauffeur in dienst van een grote onderneming in het openbaar vervoer. Appellant heeft niet gesteld dat deze beschrijving onjuist of niet volledig is. Per deeltaak heeft Van Sandwijk de belasting in de functie van buschauffeur vergeleken met de belastbaarheid van appellant en toegelicht waarom appellant in staat wordt geacht de maatgevende arbeid te verrichten. Bezwaararbeidsdeskundige

J.G.C. Kalthof heeft blijkens zijn rapport van 11 november 2011 de opvatting dat appellant gelet op zijn beperkingen met werk als buschauffeur is te belasten geheel onderschreven.

4.5.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de functie van voltijds buschauffeur niet voor hem geschikt is in verband met te veel lawaai en grote trillingen. Er is geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door Van Sandwijk in zijn rapport van 11 mei 2011 gegeven toelichting op de belasting in verband met omgevingsgeluiden in een bus, vooral in de spitsuren, en het rijden over een slecht wegdek en verkeersdrempels. Gelet op de door de artsen van het Uwv in beeld gebrachte medische toestand gaat deze - niet voortdurende - belasting de belastbaarheid van appellant niet te boven.

4.6.

Conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) D.E.P.M. Bary

IvZ