Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
11-1321 WMO
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2013:CA3761
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:846, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college het aan het bestreden besluit klevende gebrek niet hersteld. De Raad voorziet zelf bepaalt dat appellante met ingang van 11 november 2009 in aanmerking wordt gebracht voor hulp bij de organisatie van het huishouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/173

Uitspraak

11/1321 WMO, 14/297 WMO

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 februari 2011, 10/1094 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 19 juni 2013 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2013:CA3761).

Bij brief van 31 juli 2013 heeft het college kennis gegeven van de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven. Deze brief is geregistreerd onder het nummer 14/297 WMO.

Mr. R.S. Wijling, advocaat, heeft namens appellante bij brief van 11 september 2013 zijn zienswijze op de brief van 31 juli 2013 ingezonden. Voorts heeft mr. Wijling bij brieven van 17 september 2013 en 22 november 2013 nadere stukken ingediend.

Het college heeft op verzoek van de Raad bij brief van 11 februari 2014 een reactie op de zienswijze en de ingediende stukken gegeven.

Met toepassing van de artikelen 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden. Hij voegt hieraan het volgende toe.

1.1.

In de brief van 31 juli 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante terecht bij het besluit van 27 oktober 2009 en de beslissing op bezwaar van 23 februari 2010 (bestreden besluit) niet in aanmerking is gebracht voor hulp bij de organisatie van het huishouden. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar een rapportage van een Wmo-adviseur van 18 juli 2013. Uit deze rapportage is het college met name gebleken dat een psychiatrisch verpleegkundige van Bouman GGZ bij navraag heeft verklaard dat de situatie met betrekking tot de alcoholverslaving van appellante stabiel is. Volgens de psychiatrisch verpleegkundige is er geen reden aan te geven waarom appellante op basis van de alcoholverslaving niet in staat is om de organisatie van het huishouden te kunnen uitvoeren. Voorts is het college uit de rapportage gebleken dat appellante in een telefoongesprek met de Wmo-adviseur op 18 juli 2013 heeft verklaard dat zij te allen tijde haar huishoudelijk verzorgster heeft geïnstrueerd welke taken in het huishouden dienden te worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de opdrachten van appellante werden de huishoudelijke taken uitgevoerd. Daarnaast heeft appellante tijdens het telefoongesprek verklaard dat zij de administratie in verband met het persoonsgebonden budget voor de hulp bij het huishouden altijd zelf heeft bijgehouden.

1.2.

Appellante kan zich niet verenigen met het standpunt van het college in de brief van

31 juli 2013 zoals vermeld onder 1.1 en voert aan dat dit standpunt niet voldoet aan de eisen van een zorgvuldige voorbereiding en motivering. Aangezien verslagen van de gesprekken met de psychiatrisch verpleegkundige en appellante ontbreken, is niet verifieerbaar wat beiden hebben verklaard. Appellante ontkent dat zij heeft verklaard altijd het huishouden te kunnen organiseren. Zij heeft tijdens het gesprek namelijk verklaard te hebben geprobeerd alles in goede banen te leiden, maar dat dit lang niet altijd lukte. Onder verwijzing naar diverse stukken voert zij aan dat haar situatie door haar alcoholafhankelijkheid verre van stabiel is en dat zij voortdurend terugvallen heeft.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De brief van het college van 31 juli 2013 bevat geen schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, maar slechts een nadere motivering van de eerder genomen besluiten. De Raad zal de brief dan ook niet als een besluit in de zin van de

artikelen 6:18 en 6:19, van de Awb in de beoordeling betrekken.

2.2.

De Raad stelt voorop dat de hier te beoordelen periode loopt van 11 november 2009, de ingangsdatum van de bij het besluit van 27 oktober 2009 toegekende hulp bij het huishouden, tot en met 23 februari 2010, de datum van het bestreden besluit.

2.3.

Appellante voert terecht aan dat het onder 1.1 vermelde standpunt van het college niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en ontoereikend gemotiveerd is. Het college heeft desgevraagd verklaard dat van de gesprekken met de psychiatrisch verpleegkundige en appellante geen separate verslagen zijn opgesteld. Voorts bevat de weergave van het gesprek met de psychiatrisch verpleegkundige onvoldoende concrete informatie. Zo is niet duidelijk of de opmerkingen van de psychiatrisch verpleegkundige zien op de periode in geding. Verder heeft appellante de inhoud van het verslag van haar gesprek met de Wmo-adviseur gemotiveerd betwist.

2.4.

Daarentegen bevatten de door appellante ingediende stukken wel concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat zij in de periode in geding door haar alcoholverslaving was aangewezen op hulp bij de organisatie van het huishouden. Doorslaggevend acht de Raad hierbij een journaal van GGZ Bouman dat ziet op de periode van 27 oktober 2008 tot en met 22 december 2009. Uit dit journaal blijkt dat appellante herhaaldelijk terugvallen in haar alcoholverslaving heeft gekend. In dit journaal wordt voorts onder andere opgemerkt dat bij een bezoek op 15 oktober 2009 in de woning van appellante bleek dat appellante onder invloed was en dat de woning vervuild was. Uit de stukken blijkt niet dat zij in de periode daarna wel steeds in staat was om zelf het huishouden te organiseren.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het college het aan het bestreden besluit klevende gebrek niet heeft hersteld. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat appellante met ingang van 11 november 2009 in aanmerking wordt gebracht voor hulp bij de organisatie van het huishouden.

3.

Appellante heeft verzocht om vergoeding van geleden schade, bestaande uit de door haar gemiste maar wel benutte minuten zorg. De Raad zal dit verzoek afwijzen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat dergelijke schade is geleden.

4.

Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten begroot op € 974,- in beroep (2 punten) en € 1.217,50 in hoger beroep (2,5 punt), in totaal € 2.191,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 februari 2010 voor zover het college appellante daarbij niet in aanmerking heeft gebracht voor hulp bij de organisatie van het huishouden;

- bepaalt dat appellante met ingang van 11 november 2009 in aanmerking wordt gebracht voor hulp bij de organisatie van het huishouden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.191,50;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.R. Schuurman

RK