Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
12-4501 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad begrijpt het standpunt van appellant aldus dat hij in aanmerking meent te komen voor begeleiding in een multiculturele setting zolang behandeling in GGZ-verband niet is aangevangen. Voorop moet worden gesteld dat uit de rechtspraak van de Raad blijkt dat zich situaties kunnen voordoen waarin AWBZ-zorg moet worden geïndiceerd voordat behandeling in het kader van de Zvw is aangevangen (...). Ter zitting van de Raad is namens CIZ een tweetal situaties uiteengezet waarin ondanks een voorliggende behandeling aanleiding voor een indicatie voor AWBZ-zorg kan bestaan. In het eerste geval zoekt of accepteert de betrokkene de behandeling niet op gronden die verband houden met zijn ziekte of aandoening, in het tweede geval is de behandeling (nog) niet beschikbaar. In beide gevallen moet bij de betrokkene een risico op verwaarlozing van de verzekerde bestaan. De Raad heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden dat één van deze twee situaties zich bij appellant voordoet, zodat de beroepsgrond niet slaagt. In de in hoger beroep ingediende nadere stukken zijn evenmin aanknopingspunten te vinden dat appellant voor AWBZ-zorg in aanmerking komt zo lang de behandeling niet is aangevangen, nu deze stukken niet op appellant betrekking hebben. De beroepsgrond dat de voorzieningen van de Wmo niet aansluiten op de AWBZ-zorg slaagt evenmin. Met ingang van 1 januari 2009 is het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) gewijzigd (pakketmaatregel). Deze wijziging houdt onder meer in dat de oude zorgfuncties Ondersteunende Begeleiding en Activerende Begeleiding zijn vervallen en dat daarvoor de nieuwe zorgfunctie Begeleiding in de plaats is gekomen. Aan de nota van toelichting bij deze wijziging van het Bza wordt het volgende ontleend: “Het schrappen van de participatiedoelstelling betekent da geen begeleiding meer wordt geïndiceerd die uitsluitend is gericht op maatschappelijke integratie (bijvoorbeeld vrijetijdsbesteding, uitstapjes, wandelen).” ... Dit betekent dat een uitsluitend door participatiemotieven bepaalde noodzaak van opvang niet kan leiden tot een indicatie voor begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza.

Wetsverwijzingen
Besluit zorgaanspraken AWBZ
Besluit zorgaanspraken AWBZ 2
Besluit zorgaanspraken AWBZ 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/298 met annotatie van M.F. Vermaat

Uitspraak

12/4501 AWBZ

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

4 juli 2012, 12/769 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant hebben mr. A. Jankie, advocaat, en M. Jankie hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2014. Appellant en zijn gemachtigden zijn niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is van Surinaamse herkomst. Hij heeft een scala van beperkingen van somatische, verstandelijke en psychische aard, waaronder hernia, hypertensie, urineretentie, diabetes, een laag IQ en een sociale fobie. Appellant spreekt Hindi/Surinaams en ondervindt een taalbarrière, waardoor het contact met anderen bemoeilijkt wordt. Appellant heeft bij aanvraag van 24 februari 2011 verzocht hem te indiceren voor begeleiding op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Hij wil daarmee bereiken dat hij kan worden opgevangen in een multiculturele setting bij de Stichting Multiculturele Dagverzorging (Multidag) te Nijmegen.

1.2.

CIZ heeft de aanvraag bij besluit van 30 maart 2011 afgewezen op de grond dat de aangevraagde zorg niet onder de AWBZ, maar onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) valt.

1.3.

Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij een laag IQ heeft en voldoet aan de criteria voor sociale fobie. Hij is angstig in sociale situaties, vooral in grote groepen met onbekende mensen. Hij is weinig assertief en gaat confrontaties uit de weg. Appellant heeft zijn standpunt onderbouwd met een rapport van de GGZ-psycholoog F.K. Bosma van

18 november 2011.

1.4.

CIZ heeft het bezwaar van appellant bij beslissing op bezwaar van 16 december 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. CIZ stelt zich op het standpunt dat uit onderzoek van zijn medisch adviseur is gebleken dat appellant door een sociale fobie matige beperkingen op het gebied van zijn sociale redzaamheid heeft. Behandeling hiervan is echter mogelijk en valt onder de dekking van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Deze behandeling is voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg. Vindt de GGZ-behandelaar het noodzakelijk dat naast de behandeling ook begeleiding in de thuissituatie plaatsvindt om de behandeling voort te zetten of te ondersteunen, dan kan daarvoor alsdan een nieuwe aanvraag worden gedaan. Voor zover opvang in een multiculturele setting wordt aangevraagd, wordt deze aangemerkt als participatie en behoort deze tot het domein van de Wmo. Deze vorm van opvang kan niet leiden tot een aanspraak op AWBZ-zorg.

2.1.

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn zwakbegaafdheid. Weliswaar wordt verwezen naar de mogelijkheid van GGZ-behandeling, maar hij kan deze niet zelfstandig volgen. Appellant heeft iemand nodig die hem brengt en haalt.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van de CIZ-arts niet onzorgvuldig is geweest. CIZ heeft zich daarom op diens rapport mogen baseren. De grond dat onvoldoende rekening is gehouden met het lage IQ van appellant stuit daarop af. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat GGZ-behandeling voorliggend is en dat CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor ondersteuning bij het halen en brengen naar de behandeling de Wmo voorliggend is. CIZ heeft verder overwogen dat zij begrijpt dat appellant gebaat is bij sociale participatie via Multidag, maar geoordeeld dat deze vorm van ondersteuning aan het maatschappelijk verkeer tot het gebied van de Wmo behoort.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij begeleiding in de zin van de AWBZ behoeft. Zijn aandoeningen behoeven een multidisciplinaire aanpak. Dit betekent dat hij “in aanmerking dient te komen voor een begeleiding zodat hij op het niveau van de dagelijkse zorg begeleiding krijgt in de aanpak en het beheersbaar maken van de diverse problematiek zoals aan de orde is.” Begeleiding is volgens appellant een noodzakelijke behoefte, nu hij zich daarmee naast de eventuele GGZ-behandeling verder kan verbeteren. De begeleiding die hij al heeft gekregen, heeft positieve resultaten opgeleverd. Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden die zijn standpunt moeten onderbouwen. Verder is aangevoerd dat gebleken is dat de voorzieningen die de Wmo biedt niet aansluiten op de zorg die onder de AWBZ valt, zodat niet gezegd kan worden dat appellant zich voor ondersteuning bij de participatie tot de gemeente moet wenden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit het hoger beroepschrift blijkt dat appellant niet langer bestrijdt dat GGZ-behandeling mogelijk is en voorliggend is op AWBZ-zorg. Ook blijkt daaruit dat appellant niet bestrijdt dat indien de GGZ-behandelaar het nodig vindt dat naast de behandeling in het kader van de Zvw AWBZ-zorg wordt ingezet, daarvoor alsdan en nieuwe aanvraag kan worden gedaan.

4.2.

De Raad begrijpt het standpunt van appellant aldus dat hij in aanmerking meent te komen voor begeleiding in een multiculturele setting zolang behandeling in GGZ-verband niet is aangevangen. Voorop moet worden gesteld dat uit de rechtspraak van de Raad blijkt dat zich situaties kunnen voordoen waarin AWBZ-zorg moet worden geïndiceerd voordat behandeling in het kader van de Zvw is aangevangen (onder andere CRvB 23 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2622 en CRvB 23 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2623). Ter zitting van de Raad is namens CIZ een tweetal situaties uiteengezet waarin ondanks een voorliggende behandeling aanleiding voor een indicatie voor AWBZ-zorg kan bestaan. In het eerste geval zoekt of accepteert de betrokkene de behandeling niet op gronden die verband houden met zijn ziekte of aandoening, in het tweede geval is de behandeling (nog) niet beschikbaar. In beide gevallen moet bij de betrokkene een risico op verwaarlozing van de verzekerde bestaan. De Raad heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden dat één van deze twee situaties zich bij appellant voordoet, zodat de beroepsgrond niet slaagt. In de in hoger beroep ingediende nadere stukken zijn evenmin aanknopingspunten te vinden dat appellant voor AWBZ-zorg in aanmerking komt zo lang de behandeling niet is aangevangen, nu deze stukken niet op appellant betrekking hebben.

4.3.

De beroepsgrond dat de voorzieningen van de Wmo niet aansluiten op de AWBZ-zorg slaagt evenmin. Met ingang van 1 januari 2009 is het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) gewijzigd (pakketmaatregel). Deze wijziging houdt onder meer in dat de oude zorgfuncties Ondersteunende Begeleiding en Activerende Begeleiding zijn vervallen en dat daarvoor de nieuwe zorgfunctie Begeleiding in de plaats is gekomen. Aan de nota van toelichting bij deze wijziging van het Bza wordt het volgende ontleend: “Het schrappen van de participatiedoelstelling betekent da geen begeleiding meer wordt geïndiceerd die uitsluitend is gericht op maatschappelijke integratie (bijvoorbeeld vrijetijdsbesteding, uitstapjes, wandelen).” Zie daarvoor CRvB 25 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4111. Dit betekent dat een uitsluitend door participatiemotieven bepaalde noodzaak van opvang niet kan leiden tot een indicatie voor begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) D. Heeremans

IvZ