Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
11-6083 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het nadere rapport ..., aangevuld met het rapport ..., van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/249

Uitspraak

11/6083 WIA

Datum uitspraak: 1 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 september 2011, 10/2112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 11 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2204) een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 30 oktober 2013 een rapport van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden. Hierop heeft appellant bij brief van 27 november 2013 zijn zienswijze gegeven. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 27 mei 2014 nader gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat, alsmede naar de in de tussenuitspraak in 5.7 tot en met 5.10 gegeven overwegingen leidend tot het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijk gemotiveerde medische grondslag.

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van 29 oktober 2013 van bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg ingezonden. Met betrekking tot het laten vervallen van de urenbeperking in bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts in dit rapport te kennen gegeven dat de verzekeringsarts zich heeft laten leiden door het verleden waarin een urenbeperking was vastgesteld. Ten tijde van het onderzoek heeft de verzekeringsarts geen invaliderende beperkingen geconstateerd, waardoor er naar objectieve medische maatstaven gemeten geen grond (meer) was voor het aannemen van een urenbeperking. Voorts heeft bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat is afgezien van een lichamelijk onderzoek omdat gelet op de informatie van de neuroloog, er geen aanwijzingen waren voor neuropathie. Omdat de verzekeringsarts geen achillespeesreflex heeft verricht, heeft de bezwaarverzekeringsarts, bij gebreke van toegevoegde waarde, afgezien van overleg met de verzekeringsarts.

2.2.

Namens appellant is in reactie op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 27 november 2013 het standpunt gehandhaafd dat ook met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts het gebrek in de medische grondslag niet is hersteld.

2.3.

Vervolgens is bezwaarverzekeringsarts Versteeg in een rapport van 27 mei 2014 nader toegelicht waarom is afgezien van nader lichamelijk onderzoek en voorts waarom er geen aanleiding is voor het aannemen van een urenbeperking.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Met het nadere rapport van 29 oktober 2013, aangevuld met het rapport van 27 mei 2014, van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit hersteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft inzichtelijk en overtuigend uiteengezet waarom hij in de onderhavige situatie heeft afgezien van nader onderzoek en overleg met de verzekeringsarts. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts er terecht op gewezen dat de verzekeringsarts, zoals blijkt uit het rapport van 2 april 2009 onder “beschouwing”, zich heeft laten leiden door het verleden waarin een urenbeperking was toegekend. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat op de datum in geding, 26 april 2009, er geen objectief medische aanknopingspunten zijn voor het aannemen van een urenbeperking, kan gelet op de nadere motivering niet voor onjuist worden gehouden.

3.2.

Uit het vorenstaande volgt dat, gelet op de verzekeringsgeneeskundige rapporten en de neurologische en orthopedische informatie in onderling samenhang bezien, met de in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 23 maart 2010 neergelegde beperkingen in voldoende mate tegemoet is gekomen aan de (aspecifieke) klachten van appellant.

3.3.

Nu gelet op 4.2 van de tussenuitspraak het hoger beroep slechts gericht is tegen de medische beoordeling, dient met de nadere motivering in hoger beroep het bestreden besluit te worden bevestigd. Omdat de nadere motivering van de bezwaarverzekeringsarts geen wijziging teweegbrengt in het bestreden besluit, worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hieraan geen gevolgen verbonden. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

4.

In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt wel aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.217,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.191,50,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.191,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- (€ 41,- in beroep en € 112,- in hoger beroep) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) P. Boer

IvZ