Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
13-6625 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:8365, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omvang van het geding is, anders dan appellante aanvoert, beperkt tot de vraag of het bestuur een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 22 januari 2013. De opdracht aan het bestuur betrof uitsluitend de brutering in verband met de door de Raad vastgestelde netto-bedragen aan inkomsten in de maanden januari, februari en april 2007. Gelet daarop kunnen de herziening en de terugvordering van de bijstand niet opnieuw aan de orde komen. Slechts de brutering kan aan de orde komen. Niet gebleken is dat het bestuur de terugvordering van bijstand op een onjuiste wijze heeft gebruteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6625 WWB

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2013, 13/2359 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante]te [woonplaats] (appellante)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 24 juni 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Bij besluit van 27 januari 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 september 2009, heeft het bestuur de bijstand van appellante ingevolge de Wet werk en bijstand over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 23 november 2008 deels herzien en deels ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.972,20 bruto van haar teruggevorderd. In de uitspraak van 22 januari 2013, voor zover in dit geding van belang, heeft de Raad overwogen dat het besluit van 17 september 2009 geen stand kan houden voor zover het bestuur daarbij het standpunt heeft ingenomen dat, als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting, het recht op bijstand over de maanden januari, februari en april 2007 niet kan worden vastgesteld. Het bestuur was wel bevoegd de bijstand over die maanden te herzien en daarop het bedrag van € 90,-,€ 140,- onderscheidenlijk € 214,- in mindering te brengen alsook de netto-bedragen aan ten onrechte gemaakte kosten van bijstand na brutering van appellante terug te vorderen. Tot slot heeft de Raad overwogen dat hij zelf deels in de zaak kan voorzien, maar de omvang van de terugvordering in verband met de brutering niet zelf kan vaststellen. Om die reden is het bestuur opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.2.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het bestuur bij beslissing op bezwaar van 6 maart 2013 alsnog rekening gehouden met de inkomsten van appellante over de maanden januari, februari en april 2007 van € 90,-, € 140, en € 214,- en het terugvorderingsbedrag nader vastgesteld op € 14.720,15 bruto.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 maart 2013 ongegrond verklaard.

3.

Appellante voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitspraak van de Raad van 22 januari 2013 geen ruimte laat om (ook) de bevoegdheid van het bestuur tot herziening en terugvordering van de uitkering over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 23 november 2008, dan wel de wijze van uitoefening daarvan en/of het afzien van terugvordering wegens dringende redenen, ter discussie te stellen. Het bestuur heeft bovendien het terug te vorderen bedrag onjuist berekend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De omvang van het geding is, anders dan appellante aanvoert, beperkt tot de vraag of het bestuur een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 22 januari 2013. De opdracht aan het bestuur betrof uitsluitend de brutering in verband met de door de Raad vastgestelde netto-bedragen aan inkomsten in de maanden januari, februari en april 2007. Gelet daarop kunnen de herziening en de terugvordering van de bijstand niet opnieuw aan de orde komen. Slechts de brutering kan aan de orde komen. Niet gebleken is dat het bestuur de terugvordering van bijstand op een onjuiste wijze heeft gebruteerd. Appellante heeft daartegen ook geen enkel argument aangevoerd.


4.2. Uit hetgeen in 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek van appellante om vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding,


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.R. Schuurman

HD