Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
13-1525 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1525 WWB

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van

22 maart 2012, 10/2676 WWB

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening gevraagd van de uitspraak van de Raad van 22 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0116.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 juni 2014. Verzoeker is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M. Vriend.

OVERWEGINGEN

1.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, zoals die artikelen luidden tot 1 januari 2013, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.

Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 april 2010, 08/1604, bevestigd. In geding was de vraag of de brief van 5 maart 2008 waarin het college verzoeker heeft uitgenodigd voor een gesprek in verband met een periodiek rechtmatigheidsonderzoek een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad heeft, voor zover van belang, overwogen het oordeel van de rechtbank dat de brief niet op rechtsgevolg is gericht niet voor onjuist te houden. Het college heeft het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat er sprake is van nieuwe feiten en dat deze zijn ontstaan naar aanleiding van lopende procedures, met name in de zaken 12/1660, 12/1661, 12/1700 en 12/1701 waarin de Raad op 4 juni 2013 uitspraak heeft gedaan. Voorts heeft de Raad onzorgvuldig of geen onderzoek verricht wat heeft geresulteerd in een onredelijke benadeling van verzoeker. Verder zijn er vijf jaar lang onzinnige procedures uitgelokt door onder andere een onrechtmatige blokkering, inhouding en stopzetting van de uitkering waardoor schade is ontstaan die hij vergoed wil zien.

4.

Met de verwijzing naar de in 3 vermelde hogere beroepszaken heeft verzoeker geen feiten of omstandigheden ingebracht die vóór de uitspraak van 22 maart 2012 niet bij hem bekend waren, dan wel redelijkerwijs bekend konden zijn. Verzoeker betoogt in wezen de juistheid van de uitspraak van 22 maart 2012 in twijfel te trekken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en ook niet om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD