Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
13-3855 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor aanschaf computer. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Nu niet in geschil is dat de dochter van betrokkene voor haar opleiding over een computer moest beschikken en betrokkene ten tijde van de aanvraag in de thuissituatie enkel de beschikking had over een geleende computer, moet ... worden geoordeeld dat in de thuissituatie van betrokkene een computer noodzakelijk was in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder 1, van de beleidsregels. Dit betekent dat de besluitvorming van appellant niet in overeenstemming is met het door hem gevoerde beleid.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/307
JWWB 2014/235

Uitspraak

13/3855 WWB

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 juli 2013, 13/416 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft R.A.L. Koremans een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van der Veen. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontvangt sinds 23 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Op 9 juli 2012 heeft betrokkene bijzondere bijstand aangevraagd voor onder meer de kosten van aanschaf van een computer.

1.3.

Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft appellant deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Namens betrokkene is hiertegen bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij brief van 16 oktober 2012 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat naar aanleiding van dit bezwaarschrift is besloten de aanvraag alsnog in behandeling te nemen.

1.5.

Bij besluit van 5 november 2012 heeft appellant de aanvraag afgewezen.

1.6.

Bij besluit van 15 maart 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2012, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat, nu is gebleken dat betrokkene in de thuissituatie de beschikking had over een computer in bruikleen, in de kosten van aanschaf van een computer reeds was voorzien.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en, voor zover van belang, appellant opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft - voor zover thans nog van belang - betoogd dat een computer in de thuissituatie niet noodzakelijk wordt geacht als er al een computer al dan niet in bruikleen aanwezig is.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, voor zover hier van belang de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende omstandigheden noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.1.2. Appellant heeft met betrekking tot de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB beleidsregels bijzondere bijstand “Meetlat voor maatwerk 1 januari 2012” (beleidsregels) vastgesteld.

4.1.3. In artikel 24 van de beleidsregels is, voor zover van belang, bepaald dat bijstand kan worden verleend voor het aanschaffen van een computer in die situaties waarin:

1.

geconstateerd wordt dat het als noodzakelijk wordt beschouwd dat een dergelijke voorziening in de thuissituatie aanwezig moet zijn; en

2.

dat op het moment van aanvragen sprake is van het inwonend zijn van schoolgaande kinderen in de leeftijd van 9 tot 18 jaar; en

3.

waarbij geconstateerd is dat op het moment van aanvragen het gezamenlijk

(gezins-)inkomen niet meer bedraagt dan 115% van de met de gezinssituatie vergelijkbare bijstandsnorm, inclusief verhoging of verlaging op grond van de gemeentelijke Toeslagenverordening; en

4.

aangetoond is dat aanvrager gedurende een periode van 36 maanden voorafgaande aan een dergelijke aanvraag een inkomen heeft ontvangen welke niet meer bedraagt dan 115% van de met de gezinssituatie vergelijkbare bijstandsnorm, inclusief verhoging of verlaging op grond van de gemeentelijke Toeslagenverordening.

Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat de bijstand voor de computer (inclusief bijbehorende accessoires en software) maximaal € 600,- bedraagt.

4.2.

Het in 4.1.3 weergegeven beleid moet worden beschouwd als buitenwettelijk begunstigend beleid, voor zover dit inhoudt dat bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een computer kan worden verleend, indien geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2237) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard en dat de door de bestuursrechter te verrichten toetsing zich moet beperken tot de vraag of het beleid op consistente wijze is toegepast.

4.3.

Vaststaat dat de dochter van betrokkene ten tijde van de aanvraag een grafische opleiding volgde. Niet in geschil is dat betrokkene ten tijde van de aanvraag over een geleende computer beschikte.

4.4.

In geschil is uitsluitend de vraag of in de thuissituatie van betrokkene een computer noodzakelijk was als bedoeld in artikel 24, aanhef en eerste lid, van de beleidsregels.

4.5.

De toelichting bij artikel 24 van de beleidsregels vermeldt dat de regeling is bedoeld om gezinnen met schoolgaande kinderen die een (langdurig) minimum inkomen hebben in staat te stellen een eigen computer aan te schaffen, aangezien het ook voor hen van groot belang moet worden geacht te kunnen blijven deelnemen aan het digitale verkeer. Gelet op de tekst en strekking van deze toelichting kan het beleid niet anders worden begrepen dan dat het ertoe strekt de aanschaf van een computer in eigendom mogelijk te maken in die situaties waarin geconstateerd wordt dat een dergelijke voorziening in de thuissituatie noodzakelijk is.

4.6.

Nu niet in geschil is dat de dochter van betrokkene voor haar opleiding over een computer moest beschikken en betrokkene ten tijde van de aanvraag in de thuissituatie enkel de beschikking had over een geleende computer, moet - gelet op het onder 4.5 overwogene en anders dan appellant heeft betoogd - worden geoordeeld dat in de thuissituatie van betrokkene een computer noodzakelijk was in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder 1, van de beleidsregels. Dit betekent dat de besluitvorming van appellant niet in overeenstemming is met het door hem gevoerde beleid.

4.7.

Gelet op wat onder 4.6 is overwogen behoeft wat appellant voor het overige heeft aangevoerd geen nadere bespreking.

4.8.

Appellant heeft desgevraagd ter zitting van de Raad bevestigd dat, indien de Raad tot het oordeel zou komen dat aan de voorwaarde van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder 1, van de beleidsregels zou zijn voldaan, op zichzelf geen andere beletselen bestaan voor het toekennen van bijzondere bijstand aan betrokkene in de kosten van aanschaf van een computer. Wel heeft appellant er ter zitting nog op gewezen dat tussen de datum van toekenning van algemene bijstand aan betrokkene van 23 juli 2009 en de datum van ontvangst van de onderhavige aanvraag van 9 juli 2012 nog geen periode van 36 maanden als bedoeld in

artikel 24, eerste lid, aanhef en onder 4 van de beleidsregelsd is verstreken. Dit was pas het geval op 23 juli 2012. De Raad is evenwel van oordeel dat dit aan betrokkene thans niet meer in redelijkheid kan worden voorgehouden of tegengeworpen. In dit verband acht de Raad mede van belang de korte periode tussen het moment van de aanvraag en het verstrijken van de driejaarstermijn enerzijds en het ruim na het bereiken van deze termijn genomen inhoudelijke besluit op de aanvang anderzijds.

4.9.

Wat onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in stand kan blijven. De Raad moet verder constateren dat het college geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Gelet hierop en mede uit een oogpunt van definitieve geschillenbeslechting ziet de Raad thans aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 5 november 2012 te herroepen en te bepalen dat aan betrokkene de door haar verzochte bijzondere bijstand wordt toegekend tot een bedrag van € 600,-.

4.10.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

Schadevergoeding

5.1.

Het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.500,- wordt afgewezen. Dit verzoek moet aldus worden begrepen dat betrokkene verzocht om vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aannemelijk is dat bij betrokkene als gevolg van het bestreden besluit gevoelens van psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen zijn ontstaan. Betrokkene heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij zodanig onder het bestreden besluit heeft geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW. Zij heeft haar standpunt niet door middel van objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.

Proceskosten

5.2.

Het verzoek van betrokkene om vergoeding van proceskosten in beroep wordt eveneens afgewezen. Indien een betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld, zoals in dit geval, kunnen de proceskosten van een procedure in eerste aanleg niet meer in een hoger beroepsprocedure aan de orde komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- herroept het besluit van 5 november 2012, bepaalt dat aan betrokkene bijzondere bijstand

wordt toegekend tot een bedrag van € 600,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 15 maart 2013;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 478,-.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) O.P.L. Hovens

HD