Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
13-1036 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse maatregelen. Niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Gedrag en handel op de werkvloer. Onjuist ingevulde declaratieformulieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1036 WWB, 13/1037 WWB

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

23 januari 2013, 12/972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D.R. Kamps, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2014. Appellanten en hun gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Hovingh en R. Goed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellant werkt sinds mei 2010 bij [A.] in het Work-First-traject, waar hij met een arbeidsverplichting van 20 uur in de groenvoorziening werkzaam is. Appellante werkt eveneens sinds mei 2010 bij [A.] in het kader van een traject, waar zij in Hoogeveen op de afdeling EMI assemblage- en montagewerkzaamheden verricht. Appellante heeft een arbeidsverplichting van 32 uur per week.

1.2.

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college, voor zover van belang, een viertal maatregelen genomen die zijn gebaseerd op de Maatregelenverordening gemeente

Midden-Drenthe 2010 (Maatregelenverordening). In artikel 6 van de Maatregelenverordening zijn de gedragingen die leiden tot een maatregel ingedeeld in vier categorieën. In artikel 7 van de Maatregelenverordening is de hoogte en duur van de maatregelen afhankelijk gesteld van de categorie waarin de gedraging valt. Bij het besluit van 5 juli 2011 is de bijstand van appellanten vanaf 1 juli 2011 gedurende een maand verlaagd met:

  1. 50% van de gehuwdennorm, omdat appellante onvoldoende, minder dan de afgesproken 32 uur, gebruik heeft gemaakt van het aangeboden traject. Het niet of in onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling is een gedraging van de derde categorie. De maatregel wordt eenmalig gematigd tot 0%;

  2. 5% omdat appellante onjuiste informatie op de reiskostendeclaratieformulieren heeft gegeven. Deze gedraging valt onder de eerste categorie;

  3. 50% vanwege de weigering van de werkleiding om appellante terug te laten komen op de werkvloer nadat zij zich heeft onttrokken aan de regels en onrust heeft veroorzaakt. Hierdoor heeft appellante haar arbeidsinschakeling onmogelijk gemaakt. Dit is een gedraging die valt onder de derde categorie;

  4. 50% vanwege onacceptabel gedrag van appellanten tegen medewerkers van [A.]. Ook dit is een maatregel die valt onder de derde categorie. Deze maatregel wordt eenmalig gematigd tot 0%.

De totale verlaging over de maand juli 2011 komt uit op 55%.

1.3.

Bij besluit van 16 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep, op de hierna te bespreken gronden, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van belang zijnde wet- en regelgeving verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

De Raad heeft aan de gemachtigde van appellanten voorafgaand aan de zitting de vraag voorgelegd wat het belang is bij het hoger beroep tegen de maatregelen genoemd in 1.2

onder a en d, nu deze maatregelen zijn gematigd tot 0%. Hierop hebben appellanten geantwoord dat het belang is gelegen in de toepassing van de recidivebepaling in de Maatregelenverordening. Het college heeft op een latere datum opnieuw een maatregel opgelegd, waarbij de duur van de maatregel op grond van artikel 7, tweede lid, van de Maatregelenverordening is verdubbeld omdat al eerder een maatregel is opgelegd wegens een gedraging van dezelfde, namelijk de derde, categorie. Nu er naast de maatregelen die gematigd zijn tot nul nog twee andere maatregelen zijn opgelegd, zal met het oog op de beantwoording van de vraag naar het procesbelang allereerst de maatregel besproken worden die is genoemd in 1.2 onder c.

4.2.

De maatregel genoemd in 1.2 onder c, heeft het college opgelegd omdat appellante zich niet aan de regels van [A.] hield en door haar houding en gedrag onrust veroorzaakte op de werkvloer. Dit heeft ertoe geleid dat zij haar werk bij [A.] heeft verloren. Volgens haar werkgever heeft zij zich beziggehouden met het drijven van handel onder werktijd, hetgeen in strijd is met de huishoudelijke regels. Voorts heeft zij op 16 maart 2011 haar tas meegenomen op de afdeling, wat volgens de regels niet is toegestaan. Dit heeft geleid tot conflicten tussen appellante en de werkleiding. Appellante heeft het meenemen van de tas niet ontkend, maar heeft wel bestreden dat zij onder werktijd handel heeft bedreven. Zij heeft als hobby het maken van sieraden. Zij heeft erkend dat ze een keer een haarspeld heeft verkocht, maar die was bestemd voor haar achternichtje, dat ook bij [A.] werkt. Zij heeft daarvoor slechts een vergoeding van € 5,- gekregen voor het materiaal. Voorts heeft appellante erop gewezen dat bij [A.] in Assen wekenlang een advertentie op het prikbord hing van twee medewerkers die zelfgemaakte kaarten te koop aanboden. Daar is nooit iets van gezegd. Volgens appellante wordt hierdoor met twee maten gemeten.

4.3.

Door de door appellanten aangevoerde gronden slagen niet. Uit het proces-verbaal van de sociale recherche van 31 augustus 2011 blijkt dat appellante meerdere malen, zowel mondeling als schriftelijk, is aangesproken op het drijven van handel op de werkvloer en dat het dus niet om een eenmalig incident ging. Zo heeft [G.], werkleider bij [A.], verklaard dat hij vanaf december 2010 op de afdeling werkt en dat er toen al signalen waren dat appellante handel dreef binnen het gebouw met zelfgemaakte sieraden. Hij zag ook verschillende mensen met dezelfde soort sieraden lopen. Naar zijn schatting hebben ongeveer 20 personen sieraden afgenomen. Hij heeft van januari 2011 tot mei 2011 maandelijks aan appellante uitgelegd wat de regels waren en dat het niet toegestaan was sieraden te koop aan te bieden en te verkopen, en dat het niet toegestaan is jassen en tassen mee te nemen op de afdeling. Twee personen hebben hem gezegd dat zij appellante een paar euro hadden betaald en dat ze nog geen sieraden hadden gekregen. Voorts heeft [P.], werkcoach bij [A.], verklaard dat hij het verhaal van [G.] kan bevestigen, dat hij zelf appellante er een keer op heeft aangesproken dat het verkopen van sieraden niet is toegestaan en dat hij haar op 23 mei 2011 een brief heeft gestuurd waarin hij er nogmaals op heeft gewezen dat het verboden is op het terrein van [A.] handel te drijven. De beroepsgrond dat met twee maten wordt gemeten treft geen doel, nu de door appellante genoemde advertentie in de vestiging van [A.] in Assen hing en niet in de vestiging in Hoogeveen waar appellante werkzaam was. Voorts is niet bekend of de betreffende medewerkers in Assen om toestemming hebben gevraagd om de advertentie op te hangen. Appellante heeft in elk geval niet om toestemming gevraagd.

4.4.

De gedragingen onder 4.3 hebben geleid tot de beëindiging van het werk bij [A.] hetgeen terecht is gekwalificeerd als het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, wat volgens artikel 6, onder 3b, van de Maatregelenverordening een gedraging is van de derde categorie. Ingevolge artikel 7, onder 1c, van de Maatregelenverordening leidt dit tot een maatregel van 50% van de norm gedurende een maand. Dit leidt tot de conclusie dat de maatregel is in overeenstemming met de bepalingen in de Maatregelenverordening is opgelegd.

4.5.

De gedragingen van appellante die hebben geleid tot het opleggen van de maatregel bij besluit van 15 september 2011 (zie de uitspraak van heden, ECLI:NL:CRvB:2014:PM) en waarbij de recidivebepaling is toegepast, zijn van dezelfde categorie als de gedraging

onder 4.3. Voor het toepassen van de recidivebepaling hoeft daarom niet te worden teruggegrepen op de maatregelen genoemd in 1.2 onder a en d. Nu deze maatregelen zijn gematigd tot 0%, en er overigens geen ander belang is gesteld, bestaat geen belang bij een oordeel over deze maatregelen. De maatregelen behoeven derhalve geen bespreking. Ook de beroepsgrond dat ten onrechte meerdere keren een maatregel is opgelegd voor hetzelfde feit, namelijk het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, behoeft daardoor geen bespreking meer. De feitelijke uitkomst is immers dat voor deze gedraging maar één keer een maatregel van 50% gedurende een maand is opgelegd.

4.6.

Ten aanzien van de maatregel genoemd in 1.2 onder b, heeft appellante aangevoerd dat zij er niet mee bekend was dat ze de kilometerregistratie van de ANWB via de routeplanner diende aan te houden. Zij heeft de feitelijk gereden kilometers opgegeven. Het klopt wel dat zij soms kilometers opgaf over een dag waarop ze niet gewerkt had. Appellante heeft dit niet met opzet gedaan. Ze is erg chaotisch en heeft hierdoor de registratie niet altijd op orde. Zij ging ervan uit dat [A.] haar declaratieformulieren controleerde en aanpaste. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat door appellante wordt erkend dat zij de formulieren soms niet juist invulde. De door appellante gegeven verklaring vormt hiervoor geen rechtvaardiging. Het verstrekken van onjuiste informatie op de reiskostendeclaratieformulieren is een gedraging die ingevolge artikel 6, onder 1b, van de Maatrelenverordening valt onder de eerste categorie: het niet binnen de door het college gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verstrekking van de uitkering. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, van de Maatregelenverordening is hiervoor terecht een maatregel van 5% van de norm, gedurende een maand, opgelegd.

4.6.

De beroepsgrond dat de maatregelen in strijd met de Maatregelenverordening met terugwerkende kracht zijn opgelegd, slaagt niet, reeds omdat de maatregelen eerst na de datum van het besluit van 5 juli 2011 zijn geëffectueerd, en appellanten hierdoor niet zijn benadeeld.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD