Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
13-3623 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 62%. Niet-ontvankelijk verklaring beroep. De erchtbank heet onterrecht niet-ontvankelijk verklaard. de Raad beoordeed de zaak inhoudelijk. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3623 WIA

Datum uitspraak: 25 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 juni 2013, 13/2222 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.M. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een reactie op de nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen een bezwaarverzekeringsarts een reactie te laten geven op de door appellant overgelegde medische stukken.

Het Uwv heeft een rapport van 4 december 2013 van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd.

Appellant heeft op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts gereageerd.

Beide partijen hebben toestemming verleend voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting. Hierop is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij het [naam werkgever] ([werkgever]), toen hij op 25 maart 2009 uitviel met lichamelijke klachten. Later zijn daar psychische klachten bij gekomen.

1.2. Aan de werkgever van appellant is een loondoorbetalingsverplichting (loonsanctie) opgelegd tot 21 juli 2012, in verband waarmee de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is opgeschort.

1.3. Bij besluit van 17 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 21 juli 2012 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan, waarbij is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 62%. Aan dit besluit zijn een rapport van een arts van 4 oktober 2012 met bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige van 16 oktober 2012 ten grondslag gelegd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

5 februari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit zijn een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 3 januari 2013 en een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 1 februari 2013 ten grondslag gelegd.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard in verband met het onverschoonbaar niet (tijdig) indienen van de beroepsgronden.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde (tijdig) de beroepsgronden in te dienen en dat dit daarom verschoonbaar moet worden geacht. Inhoudelijk heeft hij aangevoerd met name gelet op zijn psychische toestand volledig arbeidsongeschikt te zijn.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst moet worden beoordeeld of de rechtbank appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in dit verband verwezen naar de brief van 20 maart 2013, waarin is verzocht om binnen vier weken na verzending van die brief alsnog de gronden van het beroep in te zenden, waarbij is vermeld dat indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld

niet-ontvankelijkverklaring kan volgen. Deze termijn van vier weken is ongebruikt verstreken. De rechtbank heeft echter verzuimd te vermelden dat bij brief van 2 mei 2013 aan appellant, naar aanleiding van een verzoek van hem, een uitstel tot één week na verzending van die brief is gegeven. Nu de rechtbank, om welke reden dan ook, opnieuw uitstel heeft verleend, heeft zij appellant niet onder verwijzing naar de brief van 20 maart 2013

niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Om die reden dient de aangevallen uitspraak vernietigd te worden.

4.2.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, komt de Raad vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

4.3.

Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn beperkingen te licht zijn ingeschat. Meer specifiek stelt appellant zich op het standpunt dat hij als gevolg van zijn psychische gesteldheid in het geheel niet in staat is te werken. Appellant noemt ook zijn medicijngebruik als factor die hem het werken onmogelijk maakt. Appellant verwijst daarbij naar een brief van zijn behandelend psychiater F.J.M. Hertroys van 13 juni 2013, brieven van zijn behandelend GZ-psycholoog G. Brug-Ramnandanlal van 13 juni 2013 en 18 juni 2012 en een

medicatie-overzicht over de periode van 1 juni 2012 tot en met 17 juni 2013.

4.4.

Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de beperkingen van appellant op de juiste wijze zijn vastgesteld en verwijst daarbij naar de verzekeringsgeneeskundige rapporten in het dossier.

4.5.

Appellant is zowel door de arts als door de bezwaarverzekeringsarts onderzocht. De arts had daarbij de beschikking over informatie van huisarts P.H. van Putten, reumatoloog

W.M. de Beus, sociaalpsychiatrisch verpleegkundige S.P. van der Haas, dermatoloog

E. Honig, neuroloog E.G. Berger-Plantinga en psychiater Hertroys en een

medicatie-overzicht. De bezwaarverzekeringsarts had daarnaast de beschikking over aanvullende informatie van de reumatoloog en de dermatoloog. Beide artsen hebben op grond van gewrichtsklachten als gevolg van spondylitis ankylopoetica (ziekte van Bechterew), eczeem en een aanpassingsstoornis een breed scala aan beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, en dynamische en statische handelingen. Deze beperkingen zijn neergelegd in de FML van 4 oktober 2012.

4.6.

Het onderzoek door beide artsen heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Zij beschikten met de informatie uit hun eigen onderzoek en de informatie vanuit de behandelend sector over voldoende informatie om tot een afgewogen standpunt over de belastbaarheid van appellant te komen en hebben daarover inzichtelijk gerapporteerd in hun in 1.3 genoemde rapporten. Op de in hoger beroep door appellant overgelegde stukken is door de bezwaarverzekeringsarts gereageerd in een aanvullend rapport van 4 december 2013. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat deze stukken geen ander licht hebben geworpen op de belastbaarheid van appellant.

4.7.

Anders dan door appellant betoogd, kan uit de door hem overgelegde stukken niet worden afgeleid dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Met name kan daaruit niet worden afgeleid dat appellant, zoals door hem gesteld, in het geheel niet tot werken in staat was.

4.8.

Uitgaande van de FML van 4 oktober 2012 is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. In dat verband wordt verwezen naar het rapport van 1 februari 2013 van de bezwaararbeidsdeskundige waarin gemotiveerd en voldoende is toegelicht waarom de belastbaarheid niet wordt overschreden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft erop gewezen dat het in de voorgehouden functies gaat om eenvoudig, gestructureerd en overzichtelijk werk, waarbij, voor zover er sprake is van probleemoplossen het problemen betreft van relatief eenvoudige aard die de vermogens van appellant niet te boven gaan.

4.9.

Uit hetgeen in 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Uit hetgeen in 4.2 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.

5.

Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- aan kosten voor rechtsbijstand en € 19,16 aan reiskosten, in totaal € 993,16.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2013 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 993,16.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) D.E.P.M. Bary

CVG