Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2601

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
12-498 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WAO-uitkering. minder dan 15% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/498 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

13 december 2011, 11/2835 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. Drost hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Drost. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J. Belder.

Het onderzoek is geschorst teneinde het Uwv de gelegenheid te geven om nader onderzoek te doen naar en een standpunt in te nemen over de maatmanomvang.

Het Uwv heeft zijn bevindingen uit het nader onderzoek gerapporteerd.

Appellant heeft gereageerd op het rapport en daarbij een eigen berekening gegeven van de maatmanomvang en van het maatmanloon.

Het Uwv heeft zijn zienswijze op de berekeningen van appellant gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 juni 2014, waar appellant niet is verschenen en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is per 26 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant gezien door een verzekeringsarts op het spreekuur op 7 oktober 2010. In overeenstemming met de bevindingen van deze verzekeringsarts, neergelegd in zijn rapport van 8 oktober 2010, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 oktober 2010 en het rapport van een arbeidsdeskundige van 27 oktober 2010, heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2010 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering vanaf 29 december 2010 wordt beëindigd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 10 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit zijn door het Uwv rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en van een bezwaararbeidsdeskundige van respectievelijk 20 april 2011 en 2 mei 2011 ten grondslag gelegd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen en dat appellant op de datum in geding in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank is door de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende toegelicht dat de belastbaarheid van appellant in de geduide functies niet overschreden wordt en dat appellant met zijn diploma LTS in ieder geval voldoet aan de opleidingseisen voor de functies produktiemedewerker industrie, machinebediende inpak-/verpakkingsmachine en samensteller kunststof en rubberindustrie. Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 mei 2011 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het oude Schattingsbesluit (oSB) is toegepast.

3.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) gesteld dat door de artsen van het Uwv geen zorgvuldig onderzoek is verricht. Zijn beperkingen, zowel cardiaal als met betrekking tot de rug, zijn onderschat. Appellant heeft verzocht een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Volgens appellant overschrijdt de belasting in de geduide functies zijn belastbaarheid en zijn de voorkomende signaleringen door de (bezwaar)arbeidsdeskundige onvoldoende toegelicht. Voorts heeft appellant gesteld dat het maatmaninkomen te laag is vastgesteld en dat hij niet voldoet aan de in een aantal functies gestelde opleidingseisen.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. Deze gronden zijn door de rechtbank volledig en afdoende gemotiveerd besproken in de aangevallen uitspraak. Er bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. De Raad onderschrijft dat oordeel en de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne.

4.2.

Door appellant zijn in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd waarin redenen voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen kunnen worden gevonden. Er is dan ook geen aanleiding voor een nader onderzoek door een deskundige.

4.3.

Het Uwv heeft op juiste wijze de maatmanomvang, de (geïndexeerde) hoogte van het maatmanloon en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld. De Raad kan zich geheel vinden in de berekening van de maatmanomvang en de hoogte van het maatmanloon, zoals door het Uwv is uiteengezet in zijn brieven van 21 november 2013 en

30 januari 2014. De Raad kan appellant niet volgen in de door hem, in zijn brief van

23 januari 2014, gemaakte berekening van het maatmanloon, nu hij in die berekening ten onrechte de indexcijfers van 2005 en 2001 gebruikt om het per 2003 berekende maatmanloon te indexeren.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.J.T. van den Corput en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) S. Aaliouli

RB