Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
12-4054 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:2929, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WGA-vervolguitkering. Net als de rechtbank ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de belastbaarheid van appellant op die datum, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), voor onjuist te houden. Geen aanleiding tot benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4054 WIA

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2012, 11/5399 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bakker hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 30 mei 2011 is gewijzigd en dat de WGA-vervolguitkering wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. Bij besluit van 23 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen reden het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het Uwv heeft de functionele mogelijkheden van appellant correct vastgesteld. De belasting in de voorgehouden functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet.

3.

Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij informatie van de internist-infectioloog en van de GZ-psycholoog overgelegd.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 30 mei 2011.

4.2.

Net als de rechtbank ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de belastbaarheid van appellant op die datum, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), voor onjuist te houden. Met de vermoeidheidsklachten van appellant is rekening gehouden, onder meer door een urenbeperking. Appellant heeft niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat zijn belastbaarheid op die datum meer beperkt is. De door appellant overgelegde brief van de internist-infectioloog van 4 december 2012 is daarvoor onvoldoende. De brief van de GZ-psycholoog van 14 maart 2013 heeft geen betrekking op de datum in geding aangezien appellant pas op 28 maart 2012 naar deze psycholoog is verwezen. De Raad wijst in dit verband ook op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 26 oktober 2012, 28 januari 2013 en 18 april 2013. Met name in het rapport van 26 oktober 2012 is inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat in de FML voldoende rekening gehouden is met de beperkingen van appellant. Dat appellant zelf voelt dat hij te weinig energie heeft om te gaan werken, hoe voorstelbaar ook, maakt dat niet anders.

4.3.

In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voldoende informatie heeft over de medische situatie van appellant op de datum in geding. De Raad ziet dan ook, evenmin als de rechtbank, reden om een deskundige te raadplegen.

4.4.

Aangezien appellant niet volledig arbeidsongeschikt is op de datum in geding, kan er ook geen sprake zijn van duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.C. Hoogendoorn

IvZ