Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
12-4861 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Toepassing art 44 WAO. Het UWV heeft nagelaten een onderzoek te verrichten naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij bij appellant in bedrijf was en of appellant een oogst heeft gehad. Door dit na te laten, heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat appellant inkomsten heeft genoten uit de hennepkwekerij. Besluit in strijdt met artikel 3:2 van de Awb voorbereid. Niet voldaan aan vereiste motivering van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Gelet op het tijdsverloop is niet aannemelijk dat het Uwv het geconstateerde gebrek nog kan herstellen, zodat de Raad zelf in de zaak zal voorzien en de besluiten van 25 augustus 2011 zoals beschreven in 1.3 zal herroepen. Daarmee vervallen deze besluiten, waaronder de terugvordering van een bedrag van € 2.514,41 aan onverschuldigd betaalde uitkering en toeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4861 WAO

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 juli 2012, 12/591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 27 januari 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarnaast ontving appellant een toeslag op zijn uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip op 24 september 2009 heeft de regiopolitie Midden en West Brabant op 15 december 2009 een onderzoek ingesteld in de woning van appellant en hierin een hennepkwekerij aangetroffen. Volgens een op 23 december 2009 ondertekend proces-verbaal heeft er één eerdere oogst plaatsgevonden. Uit een bijgevoegd rapport inzake opbrengstberekening volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 29.424,- zou hebben bedragen. Hierop heeft het Uwv een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 augustus 2011. De opsporingsfunctionaris van het Uwv is tot de conclusie gekomen dat het Uwv appellant in de uitkeringsperiode van 7 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 ten onrechte WAO-uitkering heeft verstrekt.

1.3. Bij besluiten van 25 augustus 2011 heeft het Uwv de aan appellant toegekende

WAO-uitkering over de periode van 7 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 met toepassing van artikel 44 van de WAO niet uitbetaald, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in die periode minder dan 15% bedroeg, de toeslag op zijn uitkering beëindigd en een bedrag van € 2.514,41 aan onverschuldigd betaalde uitkering en toeslag teruggevorderd.

1.4. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 27 december 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv en daarna de bestuursrechter zich hebben laten misleiden door een ondeugdelijk opgemaakt proces-verbaal, waarin alleen is geprobeerd om appellant schuldig te laten zijn van het hebben van een eerdere oogst zonder feiten of bewijzen. De anonieme tip van 24 september 2009 bevat gegevens die aantoonbaar onjuist zijn en is hoogst onwaarschijnlijk. Appellant had in augustus 2009 al een brief ontvangen van energiemaatschappij Enexis dat in september 2009 in zijn woning onderhoudswerkzaamheden zouden worden uitgevoerd. Deze werkzaamheden zijn pas op 27 november 2009 uitgevoerd door[firma]. De bij hem aangetroffen hennepkwekerij is na 27 november 2009 met alleen maar tweedehands spullen door anderen bij hem opgebouwd. Het oordeel van de rechtbank, dat de bij hem aangetroffen hennepplanten vier weken oud zijn, de hennepkwekerij ouder is en dat er daarom een oogst moet zijn geweest, vindt appellant dan ook onbegrijpelijk. De hennepplanten waren ruim een week oud toen ze bij hem zijn geplaatst en dus vier weken oud toen ze bij hem werden aangetroffen. Appellant heeft gesteld nooit een oogst te hebben gehad en dus ook geen inkomsten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het bestreden besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 een oogst uit zijn hennepkwekerij heeft gehad en daaruit inkomsten heeft genoten. Het bestreden besluit is een voor appellant belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de benodigde feiten te verzamelen. De last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 van de WAO is voldaan, rust op het Uwv.

4.3.

Appellant heeft van meet af aan, ook bij de politie, consistent verklaard hoe en wanneer hij de hennepkwekerij in gebruik heeft genomen. Ook heeft hij steeds bestreden dat hij hennep heeft geoogst. In dit verband heeft hij de geloofwaardigheid van de anonieme tip van 24 september 2009 aangetast. De op de aanwezige apparatuur aangetroffen stof en kalkresten worden volgens hem verklaard doordat gebruik is gemaakt van tweedehands apparatuur. Deze verklaring wordt bevestigd door een bij het proces-verbaal van politie gevoegd overzicht “indicatoren gebruik hennepplantage”, waaruit blijkt dat er in het geheel geen indicatoren zijn voor langdurig gebruik. Zo is er geen stof aangetroffen op de kappen van armatuur van de assimilatielampen noch op de aanwezige elektra. Appellant heeft ten slotte meermalen aangevoerd dat op 27 november 2009 iemand van de [firma] in zijn woning werkzaamheden heeft verricht. Deze persoon zou, gelet op de vertrekken waarin hij met het oog op zijn werkzaamheden is geweest, een inwerking zijnde hennepkwekerij zeker zijn opgevallen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant al in beroep een e-mailbericht van [naam], de bij de gassanering in de woning van appellant betrokken werkvoorbereider, in het geding gebracht, waarin deze bevestigt dat zijn bedrijf op

27 november 2009 de door appellant gestelde werkzaamheden heeft verricht.

4.4.

Tegen deze achtergrond lag het op de weg van het Uwv om nader onderzoek te verrichten naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij bij appellant in bedrijf was en of appellant een oogst heeft gehad. Door dit na te laten, heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat appellant inkomsten heeft genoten uit de hennepkwekerij.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorbereid en een draagkrachtige motivering mist als vereist door artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Gelet op het tijdsverloop is niet aannemelijk dat het Uwv het geconstateerde gebrek nog kan herstellen, zodat de Raad zelf in de zaak zal voorzien en de besluiten van 25 augustus 2011 zoals beschreven in 1.3 zal herroepen. Daarmee vervallen deze besluiten, waaronder de terugvordering van een bedrag van € 2.514,41 aan onverschuldigd betaalde uitkering en toeslag.

5.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 14,12 in beroep en op € 38,58, dus in totaal € 52,70.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 december 2011;

- herroept de besluiten van 25 augustus 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt
van het besluit van 27 december 2011;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 52,70;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

IvZ