Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
13-1595 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:527, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Appellant was werkzaam bij de politie, een organisatie die namens de overheid burgers aanspreekt op normafwijkend gedrag, opspoort en verbaliseert. Appellant heeft door misbruik te maken van de regeling aangaande kinderopvangtoeslagen gedrag vertoond dat als ernstig normoverschrijdend moet worden aangemerkt. Dit niet integere gedrag van appellant is onverenigbaar met zijn functie en daarmee heeft appellant het aanzien van de politie in diskrediet gebracht. De korpschef heeft er terecht op gewezen dat het belang bij integere politiemensen en bij een integere politieorganisatie zeer zwaar weegt. Dit belang heeft de korpschef kunnen laten prevaleren boven de persoonlijke belangen van appellant bij het behoud van zijn functie. Dat appellant al ruim dertien jaar bij de politieorganisatie werkzaam is geweest, goed heeft gefunctioneerd, goed is beoordeeld, niet eerder met justitie in aanraking is geweest en niet eerder disciplinair is gestraft maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/172

Uitspraak

13/1595 AW

Datum uitspraak: 31 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 februari 2013, 12/602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. T. Hoekstra hoger beroep ingesteld

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoekstra. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. van Lunteren en mr. S. Vierboom.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is aangesteld in vaste dienst bij het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond in de functie van hoofdmedewerker DHV bij het district Feijenoord-Ridderster. Appellant is gehuwd met [U.] (U).

1.2. Appellant, U, gastouderbureau [gastouderbureau] ([gastouderbureau]) en gastouder [E.] (E) hebben een ‘Overeenkomst gastouderopvang’ (Overeenkomst) ondertekend. Daarin is vermeld dat E met ingang van 11 januari 2008 tot 1 januari 2010 de dagopvang en voor- en naschoolse opvang zal verzorgen voor de twee kinderen van appellant en U gedurende 115 uur per kind per maand. Het gastouderbureau heeft op 25 januari 2008 namens appellant bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag 2008 aangevraagd. In die aanvraag is vermeld dat twee kinderen van appellant vanaf 11 januari 2008 gebruik maken van gastouderopvang ieder voor 115 uur per maand. Bij besluit van 5 februari 2008 heeft de Belastingdienst aan appellant een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 14.791,-. Het voorschot over januari 2008 bedraagt € 858,06 en de voorschotten over februari tot en met december 2008 € 1.266,66 per maand. In het besluit is vermeld dat appellant verplicht is wijzigingen in zijn situatie die leiden tot een lager toeslagbedrag binnen vier weken aan de Belastingdienst door te geven.

1.3. De Belastingdienst FIOD-ECD (FIOD) heeft een strafrechtelijk onderzoek gedaan naar misbruik van de regeling aangaande de kinderopvangtoeslagen. Het onderzoek was aanvankelijk gericht op (de exploitanten van) enkele gastouderbureaus waartoe ook [gastouderbureau] behoorde. Later is het onderzoek uitgebreid naar een aantal ouders dat van de diensten van de betreffende gastouderbureaus gebruik maakte. In dat kader heeft de FIOD onderzoek gedaan naar misbruik van de regeling aangaande kinderopvangtoeslagen door appellant, U en E. De bevindingen van laatstgenoemd onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 9 juli 2010 en aanvullende processen-verbaal van 25 november 2010 en 27 januari 2012.

1.4. Nadat de korpschef op 21 februari 2011 de op dat moment bekende bevindingen van het onderzoek van de FIOD met appellant had besproken, heeft hij aan appellant zijn voornemen kenbaar gemaakt hem wegens plichtsverzuim de straf van ontslag op te leggen. Appellant heeft schriftelijk en mondeling zijn zienswijze op het voorgenomen strafontslag gegeven. Vervolgens heeft de korpschef bij besluit van 6 juni 2011 met toepassing van artikel 76, eerste lid, in verbinding met artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) appellant wegens plichtsverzuim de straf van ontslag opgelegd en overeenkomstig artikel 82 van het Barp bevolen deze straf onmiddellijk ten uitvoer te leggen. De korpschef heeft appellant verweten dat hij in de periode van 11 januari 2008 tot en met december 2008 door het verstrekken van onjuiste informatie ten onrechte kinderopvangtoeslag heeft ontvangen van de Belastingdienst. Volgens de korpschef heeft U in 2008 niet gewerkt bij uitzendbureau [uitzendbureau] BV te Beverwijk ([uitzendbureau]). De dienstbetrekking bij [uitzendbureau] is gefingeerd om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag. Voorts is volgens de korpschef de Overeenkomst niet in overeenstemming met de werkelijkheid opgemaakt.

1.5. Bij besluit van 3 januari 2012 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant met opzet een te hoog aantal uren voor benodigde kinderopvang heeft opgegeven. Volgens de rechtbank is niet uit te sluiten dat U in 2008 daadwerkelijk enige arbeid heeft verricht, maar valt niet in te zien waarom appellant een onrealistisch hoog aantal oppasuren zou opgeven, waarvan op basis van de omstandigheden duidelijk is dat dit niet zal worden gerealiseerd; appellant moet in ieder geval worden verweten dat hij geen deugdelijke administratie van daadwerkelijke oppasuren heeft bijgehouden.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of U heeft gewerkt. Voorts heeft hij aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de korpschef dat hij de hem verweten gedraging heeft begaan. Volgens appellant heeft U in 2008 op diverse locaties voor [uitzendbureau] gewerkt en is de Overeenkomst in overeenstemming met de werkelijkheid opgemaakt. Voorts heeft hij aangevoerd dat de opgelegde straf onevenredig zwaar is.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak niet de korpschef maar de korpsbeheerder als partij heeft aangemerkt. Dit is niet juist, omdat op grond van artikel 5 van de Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012 ten tijde van het doen van de aangevallen uitspraak de korpschef in de plaats was getreden van de korpsbeheerder. De Raad heeft dit gebrek hersteld.

4.2.

In artikel 76, eerste lid, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan ontslag als straf worden opgelegd. Ingevolge artikel 82 van het Barp, voor zover van belang, wordt de straf niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5553) behoort een disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Daarbij kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van uit strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens.

4.4.

De korpschef heeft appellant onder meer verweten voor de Belastingdienst te hebben verzwegen dat U in 2008 in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank heeft niet uitgesloten dat U in 2008 daadwerkelijk enige arbeid heeft verricht maar niettemin geoordeeld dat appellant het hem door de korpschef verweten gedrag heeft begaan. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet juist is. Hierin wordt echter op grond van de navolgende overwegingen geen reden gezien de aangevallen uitspraak te vernietigen.

4.5.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat de korpschef niet aannemelijk heeft gemaakt dat U in 2008 niet bij [uitzendbureau] heeft gewerkt, overweegt de Raad als volgt.

4.5.1.

Tot de gedingstukken behoort een door U en [uitzendbureau] ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin is bepaald dat [uitzendbureau] U met ingang van 28 januari 2008 voor een jaar in dienst neemt en als uitzendkracht ter beschikking stelt aan zijn opdrachtgever om onder diens leiding en toezicht arbeid te verrichten voor ten minste twaalf uur per week. Tot de gedingstukken behoort verder een door [uitzendbureau] opgestelde registratie van de door U van

28 januari 2008 tot en met 10 november 2008 verrichte werkzaamheden. Volgens die registratie, waarin is vermeld op welke dagen, gedurende welke uren en op welke locatie is gewerkt, komt naar voren dat U in die periode heeft gewerkt voor diverse inleners, met name voor Meo BV, RAI en ING. Uit afschriften van de bankrekening van [uitzendbureau] komt naar voren dat onder vermelding van de naam van U vierwekelijks bedragen worden overgeschreven naar de bankrekening van appellant. U heeft twee broers, [R.] (R) en [M.] (M), die in 2008 bij [uitzendbureau] werkzaam waren. R was directeur - eigenaar van [uitzendbureau]. M hield zich bezig met het personeel, regelde de mensen voor de werkplekken, had contact met werkgevers en vervoerde mensen naar de werkplek. R en M hebben, evenals appellant, tegenover de FIOD verklaard dat U in 2008 voor [uitzendbureau] heeft gewerkt.

4.5.2.

Ondanks de onder 4.5.1 genoemde gegevens bestaat voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de korpschef dat U in 2008 niet bij [uitzendbureau] heeft gewerkt.

4.5.3.

In dit verband verdient allereerst opmerking dat aan de waarde van verklaringen over de werkzaamheden van U die appellant, R en M tegenover de FIOD hebben afgelegd afbreuk wordt gedaan doordat zij uiteenlopen op het punt hoe U, die geen rijbewijs heeft en in Breda woonde, naar haar werk in Beverwijk en Amsterdam is gereisd. R heeft op 5 november 2009 verklaard dat U door appellant naar het kantoor van [uitzendbureau] in Beverwijk wordt gebracht en vanaf daar met vervoer van [uitzendbureau] naar de werkplek vertrekt. Volgens R wordt door [uitzendbureau], vanwege de afstand, in Breda geen personeel opgehaald. Volgens R blijft U om minder heen en weer te reizen regelmatig bij hem of M slapen. Appellant heeft herhaaldelijk verklaard dat U met een busje van het werk werd opgehaald. M heeft verklaard dat hij U soms heeft opgehaald en dat U soms met het openbaar vervoer naar het kantoor in Beverwijk kwam en dat hij haar vandaar naar het werk bracht.

4.5.4.

Voorts is van groot belang dat U bij de inleners waar zij zou hebben gewerkt, niet bekend is. Zo heeft een medewerker van Meo BV die het contact met [uitzendbureau] onderhield, [S.B.], verklaard dat hij in 2008 een paar maal een gesprek heeft gehad met de schoonmaakster van [uitzendbureau] over de kwaliteit van haar werk. Hij herkent U echter niet als zodanig van een hem voorgelegde foto. Volgens hem was de schoonmaakster van [uitzendbureau] een Nederlands uitziende vrouw met blond haar. Op de door [uitzendbureau] aan Meo BV bij de facturen toegezonden urenspecificaties is onder meer vermeld dat iemand met de naam [meisjesnaam] (de meisjesnaam van U) de werkzaamheden heeft verricht, maar, mede in aanmerking genomen dat in 2008 bij [uitzendbureau], veel meer personen met de achternaam [meisjesnaam] op de loonlijst stonden, is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat die vermelding op U slaat. De dagen waarop en het aantal uren dat de betrokkene volgens de door [uitzendbureau] aan Meo BV gezonden urenspecificaties bij Meo BV heeft gewerkt, komen bovendien niet overeen met de gegevens uit onder 4.5.1 genoemde door [uitzendbureau] opgestelde registratie van de door U gewerkte uren.

4.5.5.

Ook bij de RAI is U niet bekend. RAI werkte in 2008 met een systeem waarin dagelijks op persoonsniveau de tijden en het aantal gewerkte uren van uitzendkrachten worden geregistreerd. Uitzendbureaus moesten tevoren digitaal melden wie er kwamen werken en die informatie werd verwerkt in een zogeheten aankomstlijst. Ook de namen van de uitzendkrachten die op het laatste moment voor een ander invielen werden in het systeem verwerkt. Op de overzichten van de door de uitzendkrachten gewerkte uren en op de aankomstlijsten uit 2008 komt de naam van U niet voor. Haar naam komt evenmin voor op de door [uitzendbureau] aan de RAI bij de facturen toegezonden urenspecificaties van 2008. Volgens de manager Flex management van de RAI, [V.E.], en de supervisor van het Flexcenter RAI, [H.] (H), betekent dit dat U in 2008 niet als uitzendkracht voor de RAI heeft gewerkt. De supervisor RAI Stewarding bij wie de uitzendkrachten zich moesten melden, [M.E.], weet, als hem een foto van U wordt getoond, niet of zij bij de RAI heeft gewerkt.

4.5.6.

Bij de ING is evenmin bekend of U er heeft gewerkt. Volgens R en M heeft zij via CSU bij ING in de Bijlmer gewerkt. Bij CSU is U niet opgenomen in het systeem waarin de uitzendkrachten zijn opgenomen van wie ING heeft verklaard geen bezwaar te hebben dat zij voor ING werken. Voor haar is evenmin een toegangspas voor de betreffende locatie aangemaakt. Door de financieel manager van CSU, [B.P.], is verklaard dat bij CSU niet bekend is dat U daar in 2008 heeft gewerkt. Dit is bevestigd door de projectmanager van CSU die verantwoordelijk is voor het personeel bij ING-Amsterdam, [F.] (F). De naam van U komt in combinatie met haar BSN-nummer evenmin voor op de urenstaten die waren gevoegd bij de door [uitzendbureau] bij CSU ingediende facturen.

4.5.7.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat U wel bij de genoemde inleners heeft gewerkt verklaringen overgelegd van twee uitzendkrachten van [uitzendbureau], [A.] (A), en [C.] (C) en voorts verklaringen van de objectleidster van CSU bij ING-Bijlmer, [IJ.] (IJ) en van M.

4.5.8.

A heeft verklaard dat toen hij bij de RAI werkte, hij op verschillende momenten in 2008 heeft samengewerkt met U. Wanneer hij later door de FIOD wordt verhoord, verklaart A dat hij U zowel in 2007 als in 2008 in de spoelkeuken van de RAI heeft zien werken. Deze verklaringen zijn vrij vaag en zijn niet met elkaar in overeenstemming. Gelet daarop en tegen de achtergrond dat bij de RAI niet bekend was dat U daar werkte, kan aan die verklaringen geen betekenis worden gehecht. Opmerking verdient in dit verband nog dat in het dossier geen enkel aanknopingspunt is te vinden dat U in 2007 bij de RAI heeft gewerkt, zoals A tegenover de FIOD heeft verklaard.

4.5.9.

C heeft verklaard dat zij in 2008 met U heeft samengewerkt bij de RAI en bij ING. Wanneer zij later door de FIOD wordt verhoord, verklaart zij dat ze niet met U bij de RAI en de ING heeft gewerkt en dat ze de eerdere verklaring heeft afgelegd omdat appellant haar dit had gevraagd en zij hem wilde helpen. C heeft in de strafzaak tegen appellant een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Zij komt daar weer terug van haar tegenover de FIOD afgelegde verklaring. Omdat C niet consistent heeft verklaard over de werkzaamheden van U bij RAI en ING, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat haar verklaringen appellant niet ten voordeel kunnen strekken. Op dit punt verwijst de Raad verder naar de overwegingen van de rechtbank waarmee hij zich verenigt.

4.5.10.

IJ heeft verklaard dat haar man een neef is van U, dat zij vele malen heeft gezien dat U aan het werk was bij het ING complex Bijlmer en dat, als U niet in het systeem voorkomt, zij is binnen gekomen door van een ander pasje gebruik te maken. In het licht van de overige beschikbare gegevens en in aanmerking genomen dat IJ eerder tegenover de FIOD heeft verklaard U niet te kennen, komt aan haar verklaring niet de betekenis toe die appellant daaraan toekent.

4.5.11.

M becommentarieert in zijn nadere door appellant overgelegde verklaring de eerder genoemde verklaringen van H, F en IJ. Hij zet uiteen hoe U bij Meo BV, RAI en ING kon werken zonder bij die inleners bekend te zijn. In het licht van de overige beschikbare gegevens is deze verklaring ongeloofwaardig.

4.5.12.

Uit de gedingstukken blijkt voorts dat met de pasjes van bankrekeningen van appellant pinbetalingen zijn gedaan in Breda op tijdstippen dat appellant dienst had en ook U volgens de onder 4.5.1 genoemde door [uitzendbureau] opgestelde registratie buiten Breda zou hebben gewerkt. Gelet op de verklaring van appellant bij de FIOD dat alleen hij en U en verder niemand van deze pasjes gebruik maakte, is hierin een aanwijzing gelegen dat U niet heeft gewerkt op tijdstippen dat zij volgens de urenregistratie van [uitzendbureau] wel zou hebben gewerkt. Nadat appellant werd geconfronteerd met de eerder genoemde pinbetalingen in Breda verklaarde hij dat misschien iemand van de familie de pasjes heeft gebruikt, maar kon hij geen namen noemen. Pas toen appellant zijn zienswijze gaf op het voorgenomen ontslag, maakte hij er melding van dat ook zijn zus [N.U.] van de pinpas gebruik maakte. Die latere verklaringen van appellant overtuigen niet.

4.5.13.

Verder is gebleken dat in 2008 van een bankrekening van appellant bedragen worden overgeboekt naar de bankrekening van [N.] (N), de echtgenote van M. De overgemaakte bedragen zijn gelijk, dan wel nagenoeg gelijk aan de bedragen die door [uitzendbureau] onder vermelding van U naar de andere bankrekening van appellant zijn overgeschreven. Appellant heeft tegenover de FIOD verklaard dat hij geld heeft geleend van M en N en dat de naar de bankrekening van N overgemaakte bedragen afbetalingen van die lening zijn. N heeft echter tegenover de FIOD verklaard dat appellant geld niet van, maar aan haar en M heeft geleend. Zij hadden dat geld nodig hadden om spullen voor het huis te kopen en om wat schulden bij de Belastingdienst terug te betalen. N heeft voorts verklaard niets te weten over de overboekingen van de bankrekening van appellant naar haar bankrekening en heeft er op gewezen dat voornamelijk M die bankrekening gebruikte. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de verklaring van N is vermeld dat deze in verband met taalproblemen bij N in aanwezigheid van M is afgelegd. In aanmerking genomen dat [uitzendbureau] een familiebedrijf was waarin M een belangrijke rol speelde, wijzen de hiervoor vermelde gegevens in de richting dat U niet daadwerkelijk kreeg betaald, en in het verlengde daarvan, dat zij evenmin daadwerkelijk arbeid voor [uitzendbureau] heeft verricht.

4.5.14.

Appellant heeft een verklaring van N overgelegd waarin zij terugkomt van haar eerdere tegenover de FIOD afgelegde verklaring. Appellant heeft betoogd dat die eerdere verklaring van N niet juist kan zijn. Dit betoog wordt niet gevolgd. Als uitgangspunt geldt dat een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, mag worden gehouden aan de aanvankelijk tegenover een opsporingsambtenaar van de FIOD afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan dat op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.5.15.

Appellant heeft verder nog een verklaring overgelegd van U. Zij zegt te hebben gewerkt bij Meo BV, RAI en ING, dat zij meestal door M in Breda werd opgehaald, maar als dat niet kon zij met de trein naar Beverwijk ging en dat zij ook een aantal keren bij familie heeft overnacht. Voorts heeft zij verklaard dat zij en appellant geld geleend hadden van M en dat zij de pinpas van de bankrekeningen uitleenden aan een zus van appellant. Deze verklaring is opgemaakt nadat U kennis had genomen van het ontslagvoornemen en kennis had kunnen nemen van de bevindingen van het onderzoek door de FIOD. Toen zij in een eerder stadium de gelegenheid had tegenover de FIOD een verklaring af te leggen, heeft zij zich beroepen op haar zwijgrecht. Gelet hierop en gezien de bevindingen van het onderzoek van de FIOD komt aan haar verklaring geen gewicht toe.

4.6.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat de korpschef niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Overeenkomst niet in overeenstemming met de werkelijkheid is opgemaakt overweegt de Raad als volgt.

4.6.1.

Er bestaat voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de korpschef dat in de Overeenkomst in strijd met de werkelijk is opgenomen dat E met ingang van 11 januari 2008 gedurende 115 uur per kind per maand de dagopvang en de voor- en naschoolse opvang van de twee kinderen van appellant en U zal verzorgen. Van belang in dit verband is de inhoud van de verklaring die E tegenover de FIOD heeft afgelegd. E heeft verklaard dat hij in 2008 fulltime naar school ging en vanaf februari van dat jaar als gastouder heeft gewerkt voor twee zogeheten vraagouders, onder wie appellant, en dat hij met ieder van zijn vraagouders is overeengekomen dat hij elf tot twaalf uur per week oppast. Op de vraag of het hem bij het aangaan van de Overeenkomst al duidelijk was of het daarin vermelde aantal uren niet zou worden gehaald heeft hij geantwoord dat hij toen wist dat dit aantal, gelet op het feit dat hij naar school ging, niet kon worden gehaald.

4.6.2.

Appellant heeft tegenover de FIOD verklaard dat hij met U een reële schatting heeft gemaakt van het benodigde aantal uren gastouderopvang en uitgekomen is op 115 uur per kind per maand. Toen later bleek dat zij minder uren nodig hadden, heeft appellant telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst en uitgelegd wat het probleem was. De medewerkster van de belastingtelefoon adviseerde hem de aangevraagde kinderopvangtoeslag gewoon door te laten lopen omdat het steeds opnieuw doorgeven van wijzigingen een grote administratieve rompslomp zou geven. Aan het einde van het jaar zou de toeslag worden vastgesteld op basis van de daadwerkelijk gebruikte uren en zou hij een bedrag moeten terugstorten of nabetaald krijgen. Het gastouderbureau bevestigde desgevraagd het advies van de medewerkster van de belastingtelefoon. Omdat appellant zag aankomen dat hij een deel van de ontvangen kinderopvangtoeslag waarschijnlijk zou moeten terugbetalen heeft hij daarom een deel gereserveerd. Deze verklaring is niet geloofwaardig. In de eerste plaats is niet aannemelijk dat de Belastingdienst appellant een advies heeft gegeven dat strijdig is met de mededeling in het besluit tot toekenning van een voorschot kinderopvangtoeslag van

5 februari 2008, dat appellant verplicht is wijzigingen in zijn situatie die leiden tot een lager toeslagbedrag binnen vier weken aan de Belastingdienst door te geven. In de tweede plaats was het voor appellant onmogelijk om aan de Belastingdienst aan het einde van het jaar een opgave te doen van de daadwerkelijk gebruikte oppasuren, omdat hij de oppasuren niet heeft geregistreerd.

4.7.

Gelet op wat onder 4.5 tot en met 4.6.2 is overwogen heeft appellant zich schuldig gemaakt aan de hem door de korpschef verweten gedragingen. Tussen partijen is niet in geschil dat die gedragingen moeten worden aangemerkt als plichtsverzuim dat appellant kan worden toegerekend. De korpschef was dan ook op grond van artikel 77, eerste lid, van het Barp bevoegd appellant disciplinair te straffen.

4.8.

De disciplinaire straf van ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het door appellant gepleegde plichtsverzuim. Appellant was werkzaam bij de politie, een organisatie die namens de overheid burgers aanspreekt op normafwijkend gedrag, opspoort en verbaliseert. Appellant heeft door misbruik te maken van de regeling aangaande kinderopvangtoeslagen gedrag vertoond dat als ernstig normoverschrijdend moet worden aangemerkt. Dit niet integere gedrag van appellant is onverenigbaar met zijn functie en daarmee heeft appellant het aanzien van de politie in diskrediet gebracht. De korpschef heeft er terecht op gewezen dat het belang bij integere politiemensen en bij een integere politieorganisatie zeer zwaar weegt. Dit belang heeft de korpschef kunnen laten prevaleren boven de persoonlijke belangen van appellant bij het behoud van zijn functie. Dat appellant al ruim dertien jaar bij de politieorganisatie werkzaam is geweest, goed heeft gefunctioneerd, goed is beoordeeld, niet eerder met justitie in aanraking is geweest en niet eerder disciplinair is gestraft maakt dat niet anders.

4.9.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de korpschef het plichtsverzuim kennelijk niet zo zwaar vond wegen omdat hij appellant, na diens schorsing in verband met de

inverzekeringstelling op 26 en 27 april 2010, halverwege juli 2010 weer aan het werk heeft laten gaan en dat daarom de straf van ontslag onevenredig zwaar is. De rechtbank heeft deze beroepsgrond verworpen. De Raad verenigt zich met dat oordeel en de gronden waarop dat berust en verwijst daarnaar. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft zijn stelling dat zijn leidinggevende in oktober 2010 al van de bevindingen van het onderzoek op de hoogte was, gegeven de ontkenning daarvan door die leidinggevende, niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.10.

De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, zij het, gelet op wat onder 4.4 is overwogen, met verbetering van gronden.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.R. Schuurman

HD