Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
12-6774 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:6579, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse besluiten: de afwijzing van de wens om gedetacheerd te worden, bijzonder verlof met behoud van bezoldiging zonder opbouw verlof, het voornemen tot ontslag wegens onvoldoende functioneren, de opdracht tot inleveren laptop en mobiele telefoon, het opleggen van een maatregel in de vorm van mindering van salaris, ontslag wegen verstoorde verhoudingen. Het aandeel van het college wordt geschat op 75%, schadevergoeding, re-integratiebudget.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6774 AW

Datum uitspraak: 31 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 november 2012, 11/1149 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Duren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.E. van Veeren, mr. J.A.C. Philippo en ir. L.A. Smit.

Na de zitting is het onderzoek heropend en heeft de Raad nadere vragen gesteld. Partijen hebben deze vragen beantwoord. Na deze beantwoording is een nadere zitting, met toestemming van partijen, achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide uiteenzetting van de feiten en omstandigheden. Hij volstaat met het navolgende.

1.1.

Appellant was vanaf 1 december 1990 in vaste dienst bij de gemeente Rotterdam, vanaf

1 juni 1997 in de functie van accountmanager bij de afdeling Landmeten en Vastgoedinformatie (LV) van de dienst Gemeentewerken (dienst).

1.2.

Bij mondelinge mededeling van 21 juni 2004 (besluit 1) is aan appellant kenbaar gemaakt dat geen medewerking zal worden verleend aan de door appellant voor een periode van een jaar gewenste detachering bij de gemeente Gouda.

1.3.

De algemeen directeur van de dienst heeft bij besluit van 25 juni 2004 (besluit 2) aan appellant met ingang van 1 juli 2004 bijzonder verlof verleend met behoud van bezoldiging zonder opbouw van verlof. Daarbij is tevens aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem op grond van artikel 91 van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR) te ontslaan wegens onvoldoende functioneren.

1.4.

Bij mondelinge mededeling van 1 juli 2004 (besluit 3) is aan appellant de opdracht gegeven zijn van gemeentewege verstrekte laptop en mobiele telefoon in te leveren.

1.5.

Aan appellant is bij besluit van 17 november 2004 (besluit 4) een disciplinaire maatregel opgelegd in de vorm van een vermindering van zijn salaris gedurende een jaar met het bedrag van de laatste periodieke verhoging. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, doordat hij gevoelige bedrijfsinformatie op een cd heeft laten branden. De maatregel is, blijkens de salarisspecificatie van december 2004, onmiddellijk ten uitvoer gelegd.

1.6.

Bij uitspraak van 26 juli 2004 (04/2008) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank gelast dat het college met onmiddellijke ingang zijn onvoorwaardelijke medewerking verleent aan de door appellant gewenste detachering bij de gemeente Gouda voor een periode van een jaar.

1.7.

Het college heeft bij besluiten van 23 februari 2006 het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard en de bezwaren tegen de besluiten 2 tot en met 4 ongegrond verklaard.

1.8.

Bij besluit van 23 oktober 2007 (besluit 5) is aan appellant met ingang van

19 december 2007 ontslag verleend wegens een verstoorde arbeidsrelatie en is hem, met ingang van de ontslagdatum, een wachtgelduitkering toegekend overeenkomstig de Wachtgeld- en uitkeringsverordening 1996 (WUV 1996). Het college heeft daarbij overwogen dat de dienst niet als enige of in overwegende mate schuld heeft aan het ontstaan van de verstoorde arbeidsrelatie, waardoor geen aanleiding wordt gezien voor een uitkering boven het minimumniveau.

1.9.

Het college heeft aan appellant bij besluit van 26 november 2007 (besluit 6) op grond van de WUV 1996 de hoogte en duur van de wachtgelduitkering vastgesteld en bepaald dat deze uitkering ingaat op 24 december 2007.

1.10.

De rechtbank heeft bij uitspraken van 16 januari 2008 (06/1459, 06/1461, 06/1462, 06/1464, 06/1468 en 06/1469) de beroepen van appellant tegen de besluiten van

23 februari 2006 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken nieuwe besluiten neemt met inachtneming van wat in die uitspraken is overwogen. Deze uitspraken zijn in rechte onaantastbaar geworden.

1.11.

Bij brief van 11 februari 2008 is een toelichting gegeven op de aan de bij besluit 6 toegekende wachtgelduitkering. Bij brief van 22 februari 2008 is aan appellant informatie verstrekt over de wachtgelduitkering en zijn voorstellen gedaan over de uitvoering van de wachtgelduitkering.

1.12.

Ter uitvoering van de onder 1.10 genoemde uitspraak heeft het college bij besluit van

25 januari 2011 (bestreden besluit) de bezwaren tegen de besluiten 1 tot en met 6 gegrond verklaard en besloten om vanwege het aandeel van het college in de verstoorde verhouding en ter vergoeding van de geleden schade door de onrechtmatige besluiten 1 tot en met 4 de wachtgelduitkering met 5% te verhogen. Het college heeft bij het bestreden besluit voorts besloten besluit 5 te handhaven, onder wijziging van de datum van ontslag in

23 december 2007. Bij het bestreden besluit heeft het college besluit 6 gehandhaafd, onder het aanbrengen van een redactionele aanpassing en de bezwaren tegen de brieven van 11 februari 2008 en 22 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Besluiten 1 tot en met 4

4.1.1. Appellant heeft aangevoerd dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten de besluiten 1 tot en met 4 te herroepen en heeft volstaan met een gegrondverklaring van de bezwaren tegen deze besluiten. Appellant wordt hierin gevolgd. De rechtbank heeft in zijn in rechte onaantastbare uitspraken van 16 januari 2008 het college opgedragen nieuwe beslissingen op de bezwaren tegen de besluiten 1 tot en met 4 te nemen. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit de bezwaren gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend. Nu de besluiten 1 tot en met 4 niet in stand konden blijven, had het college deze besluiten moeten herroepen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.1.2. Het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank de besluiten 1 tot en met 4 niet heeft herroepen. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad deze besluiten alsnog herroepen.

Brieven van 11 en 22 februari 2008

4.2.1. Appellant heeft naar voren gebracht dat deze brieven moeten worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de in deze brieven genoemde regels rechtstreeks voortvloeien uit de WUV 1996. Deze brieven zijn daarom niet op rechtsgevolg gericht en zijn geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.2.2. Het hoger beroep slaagt op dit onderdeel dan ook niet.

Schadevergoeding

4.3.1. Door appellant is verzocht om veroordeling van het college tot vergoeding van schade die hij heeft geleden nu het besluit waarbij het college niet heeft meegewerkt aan de door hem gewenste detachering bij de gemeente Gouda door de rechtbank is vernietigd en het college de onrechtmatigheid van besluit 1 heeft erkend. Appellant heeft ter onderbouwing van dit verzoek aangevoerd dat hij na de detachering voor de duur van een jaar, mogelijk een vaste aanstelling had kunnen verkrijgen en uiteindelijk had kunnen doorgroeien naar schaal 14.

4.3.2. Deze onderbouwing is onvoldoende voor de conclusie dat appellant schade heeft geleden. Een vast dienstverband en een doorgroei naar schaal 14 betrof een mogelijke toekomstige gebeurtenis die te onzeker is om tot aansprakelijkheid voor schade te kunnen leiden.

4.3.3. Het hoger beroep slaagt op dit onderdeel dan ook niet.

Ontslag

4.4.1. Appellant heeft betoogd dat het college in plaats van een ontslag op grond van

artikel 96, eerste lid, van het AR had moeten kiezen voor een reorganisatieontslag. Appellant wordt hierin niet gevolgd, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1835), dat het bestuursorgaan bij samenloop van ontslaggronden keuzevrijheid heeft. Wel moet de gehanteerde ontslaggrond voldoende worden onderbouwd.

4.4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de verhoudingen ten tijde van het ontslagbesluit dermate verstoord waren dat aan appellant ontslag kon worden verleend op grond van

artikel 96, eerste lid, van het AR.

4.4.3. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het college een overwegend aandeel had in het ontstaan en voortbestaan van het conflict dat heeft geleid tot het ontslag.

4.4.4. Ten aanzien van het ontstaan van het conflict wordt allereerst acht geslagen op de ongemotiveerde weigering van het college om mee te werken aan de detachering. Het college heeft erkend dat het hieraan had moeten meewerken. De Raad heeft begrip voor appellant die deze detachering als een heel goede mogelijkheid zag om zijn loopbaan, in ieder geval tijdelijk, elders te vervolgen. Voorts heeft het college, reeds bij het bestreden besluit, erkend dat een minder vergaande maatregel dan ontslag mogelijk was geweest, appellant ten onrechte is verzocht zijn laptop en telefoon in te leveren, ten onrechte feitelijk is ontheven uit zijn functie van accountmanager LV en dat ten onrechte onmiddellijk uitvoering is gegeven aan de disciplinaire maatregel. Er kan echter niet aan worden voorbijgegaan dat appellant het conflict verder heeft laten escaleren door gevoelige bedrijfsinformatie met een aanzienlijke waarde te laten branden op cd’s en aanvankelijk te weigeren deze cd’s te retourneren. Voorts kan niet geheel worden voorbij gegaan aan de scherpe toon van appellant in de zienswijzen en in de bezwaar- en beroepschriften. Aan deze toon wordt in dit verband echter geen zwaarwegende betekenis toegekend, omdat appellant in deze geschriften in rechte opkwam tegen de besluiten van het college.

4.4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het college zowel in het ontstaan als het voortbestaan een overwegend aandeel heeft gehad, maar ook appellant niet geheel is vrij te pleiten.

4.4.6. De Raad constateert vervolgens dat in het bestreden besluit van 25 januari 2011 reeds rekening is gehouden met een overwegend aandeel van het college, door de wachtgelduitkering te verhogen met 5%. Op basis van de door partijen verstrekte schriftelijke inlichtingen concludeert de Raad dat toepassing van de formule, neergelegd in de uitspraak van 28 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043), voor appellant gunstiger is. De Raad schat namelijk het aandeel van het college op 75%. Volgens de genoemde formule van de Raad betekent dit dat de ontslagvergoeding moet worden berekend over het aantal dienstjaren van appellant bij de gemeente gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag ten tijde van het ontslag en daarop de factor 0,75 toe te passen. Voorts ziet de Raad aanleiding om een budget van € 10.000,- toe te kennen voor

re-integratie. Aan uitbetaling is de voorwaarde verbonden dat appellant de facturen voor de re-integratieactiviteiten aan het college overlegt.

4.4.7. Hieruit volgt dat het hoger beroep eveneens slaagt voor zover het college heeft besloten aan appellant slechts een wachtgeldvergoeding te betalen.

4.5.

De aangevallen uitspraak zal omwille van duidelijkheid geheel worden vernietigd. De Raad zal, zelf voorziend, bepalen dat het college een ontslagvergoeding betaalt, berekend volgens rechtsoverweging 4.4.6.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 974,- in bezwaar € 974,- in beroep en € 1.217,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 11,80 in beroep aan reiskosten en € 12,20 in hoger beroep aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 januari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover daarbij de besluiten van 21 juni 2004, 25 juni 2004, 1 juli 2004 en 17 november

2004 niet zijn herroepen en voor zover de ontslagvergoeding niet is berekend volgens de in

4.4.6 genoemde formule van de Raad en geen budget van € 10.000,- is toegekend voor

re-integratie;

- herroept de besluiten van 21 juni 2004, 25 juni 2004, 1 juli 2004 en 17 november 2004 en

de besluiten van 23 oktober 2007 en 26 november 2007 voor zover daarbij slechts de

minimumuitkering is gegarandeerd;

- bepaalt dat aan appellant een ontslagvergoeding wordt betaald, berekend volgens de in 4.4.6

genoemde formule van de Raad en een budget van € 10.000,- wordt toegekend voor

re-integratie;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de desbetreffende onderdelen van het

besluit van 25 januari 2011;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 384,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 3.189,50.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) O.P.L. Hovens

HD