Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
14-3462 WWB-VV
Formele relaties
Oorspronkelijke uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2014:3488
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2014:3494 . De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2014:3488 ,onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3462 WWB-VV, 14/2378 WWB

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 maart 2014, 13/5507 (aangevallen uitspraak). Tevens heeft mr. Van Huijgevoort namens verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Van Huijgevoort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster heeft op 5 april 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Verzoekster woont samen met haar partner, [naam partner] ([naam partner]) en hun meerderjarige zoon op het adres [adres]. [naam partner] is sinds 7 februari 2013 in Frankrijk gedetineerd. Het bedrijf van [naam partner], [BV], is in hetzelfde pand aan de [straat] gevestigd.

1.2.

Bij besluit van 28 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college verzoekster met ingang van 5 april 2013 bijstand ingevolge de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande zonder gemeentelijke toeslag. Volgens het college heeft verzoekster onvoldoende aangetoond dat zij als

privé-persoon woonkosten en woonlasten heeft.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Verzoekster heeft, onder verwijzing naar de door haar in beroep overgelegde huurovereenkomst, aangevoerd dat zij wel woonkosten is verschuldigd. Daarnaast is zij nog andere woonlasten verschuldigd. Aanvankelijk zijn deze door haar ouders voldaan en inmiddels worden deze kosten door haarzelf betaald. Tevens beroept zij zich op de door haar overgelegde verklaring van[naam 1], werkzaam bij [bedrijf].

4.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 5 april 2013, de datum waarop verzoekster zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 28 mei 2013, de datum van het besluit waarbij bijstand is toegekend.

4.5.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de WWB.

4.6.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.7.

Op grond van artikel 27 van de WWB kan het college de norm, bedoeld in de

artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27 van de WWB is van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie niet alleen sprake bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, maar ook ingeval een woning wordt bewoond waaraan voor de bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden, omdat een derde de woonlasten van de woning betaalt (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3).

4.8.

In de Verzamelverordening 2013 van de gemeente Tilburg (Verzamelverordening) heeft het college uitvoering gegeven aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bedoelde verordening. Volgens artikel 36, derde lid, aanhef en onder d onderscheidenlijk e, van deze verordening bedraagt de toeslag 10% als er een woning wordt bewoond waarvoor alleen woonlasten verschuldigd zijn onderscheidenlijk als er een woning wordt bewoond waarvoor alleen woonkosten verschuldigd zijn. Ingevolge artikel 36, vierde lid, van deze verordening wordt geen toeslag toegekend als een woning wordt bewoond waarvoor geen woonkosten en woonlasten verschuldigd zijn.

4.9.

Niet ter discussie staat dat het gehele pand aan de[adres] door de B.V. wordt gehuurd van[naam 2]en dat de B.V. hiervoor een bedrag van € 1.842,- per maand is verschuldigd. Blijkens de door verzoekster in beroep overgelegde huurovereenkomst, gedateerd 1 januari 2012, heeft de B.V. de woonruimte van het pand aan de [adres] per 1 januari 2012 aan verzoekster en [naam partner] in persoon verhuurd voor een totaalbedrag van € 625,- per maand en zijn zij beiden als huurder hoofdelijk aansprakelijk en gehouden dit bedrag maandelijks bij vooruitbetaling aan de B.V. te voldoen. Anders dan het college en de rechtbank ziet de voorzieningenrechter geen reden om te twijfelen aan de echtheid van deze huurovereenkomst en/of aan de juistheid van de door verzoekster opgegeven reden dat zij, wegens inbeslagname van de volledige administratie van de B.V. tijdens de arrestatie van [naam partner], niet eerder over deze huurovereenkomst kon beschikken en dat zij deze huurovereenkomst in de periode direct na de detentie van [naam partner] aanvankelijk over het hoofd heeft gezien. [naam 1], die de administratie voor de B.V. verricht, heeft in zijn verklaring van 9 april 2014 vermeld dat deze overeenkomst, voor zover hij kan nagaan, in ieder geval dateert van medio 2012. Verzoekster heeft weliswaar niet aangetoond, hetgeen zij ter zitting van de Raad heeft erkend, dat zij de over de te beoordelen periode verschuldigde kosten daadwerkelijk aan de B.V. heeft voldaan - zij stelt zich op het standpunt dat zij dat daartoe in financieel opzicht ook niet in staat was - , maar zij was deze kosten op grond van de huurovereenkomst met de B.V. wel verschuldigd. Gelet op de bewoordingen van artikel 36, derde lid, aanhef en onder e, van de Verzamelverordening betekent dit dat zij bij de toekenning van de bijstand tevens recht had op een toeslag van 10%.

4.10.

Verzoekster heeft echter niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat zij in de te beoordelen periode ook verplicht was tot betaling van woonlasten, zoals de lasten verbonden aan het verbruik van energie en water. Uit de overgelegde afschriften van een bankrekening van haar ouders kan slechts worden afgeleid dat zij over de maanden maart, april en mei 2013 betalingen voor water- en energieverbruik hebben gedaan onder vermelding van [BV] Hieruit kan niet worden afgeleid dat deze kosten betrekking hebben op het privéverbruik van water- en energiekosten van het woongedeelte van het pand en evenmin dat verzoekster in privé deze kosten in de hier ter beoordeling staande periode was verschuldigd. Dat verzoekster inmiddels al enige tijd deze kosten uit eigen naam en van haar eigen bankrekening voldoet, doet hieraan niet af. Het stond en staat verzoekster vrij bij het college een aanvraag in te dienen om alsnog in aanmerking te komen voor een toeslag op de bijstand wegens het verschuldigd zijn van woonlasten.

4.11.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verzoekster in de te beoordelen periode geen aanspraak kon maken op de volledige toeslag van 20%, maar wel op een toeslag van 10%. Het bestreden besluit berust daarom niet op een deugdelijke motivering.

4.12.

De rechtbank heeft wat in 4.11 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Omdat het college nog een nadere financiële uitwerking zal moeten maken, zal de voorzieningenrechter niet zelf voorzien in de zaak, maar het college opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van verzoekster, met inachtneming van deze uitspraak. Daaraan zal een termijn van zes weken worden verbonden. Het college zal tevens een nadere beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Daarbij mag het college, in het kader van de beantwoording van de vraag of de gedeeltelijke herroeping van het in bezwaar bestreden besluit het gevolg is van aan het college te wijten onrechtmatigheid, betrekken dat het toen niet bekend was en bekend kon zijn met het bestaan van een huurovereenkomst tussen appellante en de B.V. over het als woonruimte in gebruik zijnde gedeelte van het pand [adres].

4.13.

Gelet op wat verzoekster ter zitting heeft meegedeeld over haar financiële omstandigheden en over de opstelling van [naam 2] over het gebruik van het pand en de huurbetaling, gaat de voorzieningwenrechter ervan uit dat verzoekster in staat is een periode van zes weken nog te overbruggen. Onder de gegeven omstandigheden wordt daarom geen aanleiding gezien voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- draagt het college op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuwe

beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2013, met inachtneming van

deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van €.1.948,-;

- bepaalt dat het college aan verzoekster het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M.R. Schuurman

HD