Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
13-658 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een indicatie voor zorg in de vorm van begeleiding. CIZ heeft op goede gronden kunnen beslissen dat behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet voorliggend is, dat de door appellante gewenste begeleiding ziet op maatschappelijke participatie en dat CIZ op goede gronden heeft kunnen beslissen dat in zoverre de Wmo een wettelijk voorliggende voorziening is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/658 AWBZ

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

20 december 2012, 12/2840 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Willems, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 april 2013 heeft appellante een verklaring van 4 maart 2013 van gezondheidszorgpsycholoog drs. M.C.J. Andriessen overgelegd.

CIZ heeft bij brief van 26 juni 2013 een beslissing op bezwaar van 24 juni 2013 overgelegd.

Appellante heeft desgevraagd daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Namens appellante is verschenen mr. Willems. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 9 november 2011 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een aanvraag ingediend om een indicatie voor zorg in de vorm van begeleiding. Bij besluit van 22 december 2011 heeft CIZ deze aanvraag afgewezen.

1.2.

Na bezwaar heeft CIZ deze afwijzing gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2012.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante de stelling van CIZ dat zij niet voldoet aan de in het beleid geformuleerde criteria om de grondslag verstandelijke handicap aanwezig te achten, niet heeft bestreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat CIZ op goede gronden heeft kunnen beslissen dat behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet voorliggend is, dat de door appellante gewenste begeleiding ziet op maatschappelijke participatie en dat CIZ op goede gronden heeft kunnen beslissen dat in zoverre de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een wettelijk voorliggende voorziening is. CIZ heeft met juistheid het verzoek van appellante om de reiskosten naar de hoorzitting van [naam], verbonden aan Multidag, te vergoeden afgewezen, omdat het bezwaar van appellante ongegrond was verklaard.

3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de diverse oordelen van de rechtbank.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De Raad zal eerst, ambtshalve, beoordelen of in hoger beroep het besluit van 24 juni 2013 in de beoordeling kan worden betrokken.

4.2.

Het besluit van 24 juni 2013 kan niet worden beschouwd als het resultaat van een heroverweging van het besluit van 1 mei 2012. Hierbij is van belang dat aan het besluit van 24 juni 2013 niet de aanvraag van 9 november 2011 ten grondslag ligt, maar een in maart 2013 ingediende nieuwe aanvraag, waarin appellante behalve om de functie Begeleiding ook om de functie Persoonlijke Verzorging heeft verzocht. Op deze aanvraag heeft CIZ een besluit van 6 mei 2013 genomen, waarbij de gevraagde zorg is afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 24 juni 2013 heeft CIZ het bezwaar van appellante tegen het besluit van

6 mei 2013 gegrond verklaard en appellante met ingang van 6 mei 2013 geïndiceerd voor de functies Persoonlijke Verzorging, klasse 2, en Begeleiding groep, klasse 6. Het besluit van

24 juni 2013 berust, gelet hierop, niet op eenzelfde feitelijke grondslag als het besluit van

1 mei 2012 en kan daarom niet worden aangemerkt als een nader besluit in de zin van

artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.3.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om

AWBZ-zorg bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van

9 november 2011 tot 1 mei 2012.

4.4.

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat CIZ de aanvraag van appellante op goede gronden heeft afgewezen.

4.5.

Appellante heeft, nadat CIZ haar aanvraag bij besluit van 22 december 2011 had afgewezen, bij de gemeente Nijmegen een aanvraag ingediend om een voorziening op grond van de Wmo. Deze aanvraag is afgewezen en die beslissing is in bezwaar gehandhaafd. Appellante heeft aangegeven dat zij niet in staat is om de gronden van haar hoger beroep nader te concretiseren omdat over de Wmo-aanvraag nog een procedure loopt. Nog daargelaten dat appellante ter zitting heeft gemeld dat het college in de Wmo-zaak inmiddels een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, miskent appellante daarmee dat de AWBZ een zelfstandig beoordelingskader heeft. Appellante heeft niet nader gemotiveerd waarom de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot een ander oordeel had moeten komen. De enkele stelling dat de rechtbank ten onrechte tot een bepaald oordeel is gekomen is daarvoor onvoldoende. In haar reactie op het besluit van 24 juni 2013 heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij in ieder geval recht heeft op een indicatie vanaf de aanvang van de behandeling door gezondheidszorgpsycholoog Andriessen. De behandeling bij Andriessen is aangevangen op 28 november 2012. Dat is na de in dit geding te beoordelen periode. Met het enkele feit dat de behandeling is aangevangen op 28 november 2012 is niet gegeven dat appellante ook in de periode van 9 november 2011 tot 1 mei 2012 aangewezen was op een indicatie voor AWBZ-zorg.

4.6.

Met betrekking tot het verzoek de door [naam] gemaakte reiskosten in bezwaar te vergoeden onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat CIZ deze kosten terecht niet heeft vergoed, omdat de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, omschreven situatie dat het primaire besluit is herroepen, zich hier niet voordoet.

4.7.

Uit hetgeen onder 4.3, 4.5 en 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M. Crum

RK