Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
12-2203 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-loonaanvullingsuitkering. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft deugdelijk gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2203 WIA

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 maart 2012, 11/3400 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bronsveld en het Uwv door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 januari 2011 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf

14 maart 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering krijgt.

1.2. Bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellante wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de (bezwaar)verzekeringsarts deugdelijk heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante mogelijk is. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid een revalidatieprogramma te volgen. Voorts wordt door de revalidatiearts behandeling voor de psychische klachten aangeraden. Voor de rugklachten zouden facetinfiltraties herhaald kunnen worden. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat de diverse behandelingen haar belastbaarheid niet zouden kunnen verbeteren.

3.

Appellante heeft in hoger beroep in grote lijnen herhaald hetgeen zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een werkplan van 27 maart 2014 en informatie van de psychiater overgelegd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de (bezwaar)verzekeringsarts deugdelijk heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante mogelijk is. De Raad neemt dit oordeel van de rechtbank over en sluit zich aan bij de overwegingen die daartoe geleid hebben.

4.2.

De stelling van appellante in hoger beroep dat geen medische behandeling meer

plaatsvindt en dat daarom geen verbetering mogelijk is, slaagt niet. De in het dossier aanwezige medische stukken leiden niet tot die conclusie. In het rapport van de verzekeringsarts van 23 december 2010 is, na overleg met de fysiotherapeut/ergotherapeut en psychotherapeut, te kennen gegeven dat verbetering van de belastbaarheid te verwachten is. In de door appellante overgelegde brief van de psychiater van 22 april 2014 is voorts vermeld dat appellante geen hernieuwde psychotherapeutische behandeling wil en dat zij zichzelf aldus een potentieel effectieve behandeling ontzegt. Het werkplan is ruim drie jaar na de datum in geding opgesteld en zegt niets over die datum.

4.3.

In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voldoende informatie heeft over de medische situatie van appellante op de datum in geding. De Raad ziet dan ook, evenmin als de rechtbank, reden om een deskundige te raadplegen.

4.4.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.C. Hoogendoorn

IvZ