Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
13-4087 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet voldaan aan de medewerkingsplicht. Gevraagde gegevens niet verstrekt. Geen gehoor gegeven aan oproep. Het college heeft de door appellant gestelde omstandigheid dat hij vanwege een conflict in de relationele sfeer tijdelijk zijn huis niet in kon en zijn post niet kon lezen, terecht aangemerkt als een omstandigheid die voor zijn risico komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4087 WWB, 13/4088 WWB

Datum uitspraak: 28 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 juli 2013, 13/126 en 13/127 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak 12/3223 WWB plaatsgehad op

26 november 2013. Voor appellant is verschenen mr. Pot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving laatstelijk vanaf 21 maart 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat sinds 18 maart 2009 ingeschreven op het adres [adres 1.] te [woonplaats] (adres van appellant). Naar aanleiding van een melding van de woningbouwvereniging dat appellant mogelijk zijn woning zou onderverhuren, heeft het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) op 27 september 2012, omstreeks 11.00 uur, een brief in de brievenbus van het adres van appellant gedeponeerd met het verzoek aan appellant om zich op 28 september 2012 om 11.00 uur te melden op het kantoor van DWI en om bepaalde bewijsstukken mee te nemen. Appellant is zonder bericht van verhindering niet verschenen op de oproep. Bij besluit van 28 september 2012 heeft het college het recht op bijstand vanaf 28 september 2012 opgeschort. DWI heeft dit besluit op vrijdag 28 september 2012 omstreeks 12.30 uur in de brievenbus van appellant gedeponeerd. Bij dit besluit heeft DWI appellant uitgenodigd voor een gesprek op 1 oktober 2012 om

9.00

uur en hem in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Tevens is appellant gewezen op de mogelijkheid dat zijn bijstand wordt beëindigd indien hij niet aan dit verzoek voldoet. Ook op deze oproep heeft appellant niet gereageerd. Het college heeft vervolgens bij besluit van 8 oktober 2012 de bijstand van appellant met ingang van 28 september 2012 ingetrokken en bij besluit van 10 oktober 2012 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 28 september 2012 tot en met 30 september 2012 teruggevorderd tot een bedrag van € 76,20.

1.2.

Met twee besluiten van 4 december 2012 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 28 september 2012, 8 oktober 2012 en

10 oktober 2012 ongegrond verklaard. Hieraan is, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de medewerkingsplicht van de artikelen 17 en 54 van de WWB.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort gezegd, aangevoerd dat hij om persoonlijke redenen een paar dagen niet thuis was en hem niet kan worden verweten dat hij zijn post niet heeft gezien. Verder heeft hij aangevoerd dat DWI geen brieven moet deponeren in zijn brievenbus als DWI ervan uitgaat dat hij daar niet woont, dat de hem geboden hersteltermijn te kort is geweest en dat de toepassing van artikel 54 van de WWB hem in een zodanig slechte positie plaatst dat niet meer gezegd kan worden dat zijn belangen op enigerlei wijze wettelijk worden beschermd. Appellant heeft verzocht het college te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen een nader gestelde termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant tot tweemaal toe geen gehoor heeft gegeven aan oproepen van het college en dat hij de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

Voorts is niet in geschil dat de in de oproep vermelde, door appellant mee te nemen, gegevens van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 september 2009, ECLI:CRVB:2009:BJ7888) heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het woonadres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen. Het in een brievenbus deponeren van een besluit kan voor de toepassing van artikel 3:41 van de Awb worden vergeleken met een niet-aangetekende verzending per post.

4.4.

Appellant stond ten tijde hier van belang ingeschreven op het adres [adres 1.] te [woonplaats] en hij heeft niet aan het college doorgegeven dat hij tijdelijk op een ander adres bereikbaar was. De beroepsgrond dat het college niet heeft mogen volstaan met het per post benaderen van appellant op zijn adres omdat een melding was ontvangen dat appellant daar niet zou wonen, maar op andere wijze actie had moeten ondernemen, slaagt niet. Het college heeft van derden een tip ontvangen dat appellant zijn woning zou onderverhuren, maar heeft van appellant geen bericht ontvangen dat hij daar niet meer verbleef en ook niet dat hij op dat adres niet meer per post bereikbaar was. Het is onder die omstandigheden niet aan het college om onderzoek te doen naar de feitelijke verblijfplaats van appellant. Niet is betwist dat de brief van 27 september 2012 en het besluit van 28 september 2012 daadwerkelijk zijn gedeponeerd in de brievenbus op het adres van appellant. Het college heeft appellant dan ook op de juiste wijze opgeroepen voor een gesprek op 28 september 2012 en op 1 oktober 2012.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 5 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2304), mag het college er in beginsel vanuit gaan dat post die in de brievenbus van het woonadres van een betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging om de daarop volgende dag te verschijnen, de betrokkene zo tijdig bereikt dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of om uitstel kan verzoeken. Indien appellant deze, voor hem bestemde en op de gebruikelijke wijze bezorgde, post niet heeft ontvangen, komt dit voor zijn risico.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat de beroepsgrond dat het college bij het oproepen van appellant voor een gesprek op 28 september 2012 en op 1 oktober 2012 een te korte oproeptermijn heeft gehanteerd, niet slaagt. De eerste oproep is één dag voor het op 28 september 2012 geplande gesprek in de brievenbus van appellant gedeponeerd. De tweede oproep is ruim twee dagen voor het op 1 oktober 2012 (hersteltermijn) geplande gesprek in de brievenbus van appellant gedaan. Het feit dat een deel van de hersteltermijn in het weekend viel, maakt dit niet anders. Nu bovendien niet is gesteld of gebleken dat appellant voor het einde van de hersteltermijn (tevergeefs) heeft geprobeerd contact op te nemen met DWI, kan ook om die reden een beroep op de beperkte bereikbaarheid van DWI tijdens een deel van de hersteltermijn appellant niet baten.

4.7.

Het betoog van appellant dat hem niet kan worden verweten dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de oproepen voor de gesprekken op 28 september 2012 en op 1 oktober 2012

omdat deze hem niet hebben bereikt, faalt. Het college heeft de door appellant gestelde omstandigheid dat hij vanwege een conflict in de relationele sfeer tijdelijk zijn huis niet in kon en zijn post niet kon lezen, terecht aangemerkt als een omstandigheid die voor zijn risico komt. Appellant had dit risico kunnen voorkomen door maatregelen te treffen om over zijn post te kunnen beschikken of het college tijdig te berichten dat hij, zoals hij stelt, tijdelijk ergens anders verbleef dan op zijn adres.

4.8.

Ten slotte wordt appellant niet gevolgd in zijn beroepsgrond dat de bestreden besluiten hem in een juridisch zodanig slechte positie plaatsen dat niet meer gezegd kan worden dat zijn belangen op enigerlei wijze wettelijk worden beschermd. Voor zover appellant heeft beoogd aan te voeren dat van de door hem bedoelde bescherming sprake is als zijn recht op bijstand inhoudelijk wordt beoordeeld, slaagt deze stelling niet. Appellant heeft niet de op grond van artikel 54 van de WWB vereiste medewerking verleend om tot een dergelijke beoordeling te kunnen komen. Van het ontbreken van rechtsbescherming is geen sprake.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat

de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Gelet op 4.9 is voor een veroordeling van het college tot vergoeding van schade geen plaats, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2014.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) T.A. Meijering

HD