Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2562

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
13-743 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant was destijds in 2005 niet in staat zijn financiële zaken naar behoren zelf te regelen. Het college heeft in lijn daarmee vanaf die tijd ermee ingestemd dat de bijstand van appellant op de rekening van een derde werd overgemaakt. Intrekking bijstand omdat appellant niet binnen de hersteltermijn heeft voldaan aan het verzoek om de gevraagde bankafschriften over te leggen. Bijzonder geval. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/743 WWB

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

28 december 2012, 12/2247 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Namens appellant is verschenen mr. Hest. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 20 september 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft op 30 november 2005 het college verzocht om de bijstand op de bankrekening met nummer[nummer] van [naam] ([naam]) te storten omdat appellant zijn financiën niet goed zelf kan regelen. [naam] heeft hiervoor schriftelijk toestemming verleend en heeft daarbij verklaard elke maand de bijstand contant aan appellant te zullen geven. Het college heeft hiermee ingestemd en de bijstand vanaf dat moment overgemaakt op de bankrekening van [naam].

1.2.

In het kader van een zogenoemde intensieve controle heeft het college appellant bij brief van 9 augustus 2011 verzocht om voor 25 augustus 2011 een aantal gegevens te verstrekken die voor voortzetting van de bijstand noodzakelijk zijn, waaronder bewijsstukken van huurbetalingen en afschriften van drie bankrekeningen. Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft het college de bijstand opgeschort en is aan appellant een termijn verleend tot 8 september 2011 om alsnog de gevraagde gegevens aan het college over te leggen. Bij brief van

27 september 2011 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 10 oktober 2011 waarbij hem opnieuw verzocht is de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften van [naam], mee te nemen. Daarbij is meegedeeld dat de opschorting gehandhaafd blijft en dat het kan leiden tot beëindiging van de bijstand als appellant de gevraagde gegevens niet uiterlijk bij het gesprek verstrekt. Volgens het rapport van verhoor van 10 oktober 2011 heeft appellant verklaard dat het geen zin heeft om hem een hersteltermijn te geven. Hij kan de bankafschriften van [naam] niet aan het college overleggen omdat [naam] deze niet aan hem wil verstrekken.

1.3.

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft het college de bijstand van appellant onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 25 augustus 2011 ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 22 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2011 is ongegrond verklaard op de grond dat het recht op uitkering is beëindigd omdat appellant niet binnen de hersteltermijn heeft voldaan aan het verzoek om de gevraagde bankafschriften van de rekening van [naam] over te leggen en het binnen zijn risicosfeer ligt dat hij aan dit verzoek kennelijk niet kon voldoen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding is uitsluitend in geschil of de intrekking van de bijstand ingaande de

25 augustus 2011 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van dit artikellid 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand, staat ter beoordeling of appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te overleggen. Als dat het geval is dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken als het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellante niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.2.

Vaststaat dat appellant de gevraagde bankafschriften van [naam] niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan het college heeft overgelegd. Niet betwist is dat deze stukken van belang zijn voor het vaststellen van het recht op voortzetting van de bijstand.

4.3.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat [naam] heeft geweigerd de gevraagde bankafschriften aan appellant te verstrekken, in beginsel binnen de risicosfeer van appellant is gelegen. Het ligt als regel immers op de weg van een bijstandsgerechtigde zijn financiële administratie zo in te richten dat deze voor het bijstandverlenend orgaan controleerbaar en verifieerbaar is. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB was dus voldaan, zodat het college in beginsel de bevoegdheid toekwam tot intrekking van de bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Onder omstandigheden is niettemin denkbaar dat een bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kan maken van de hem in evengenoemde bepaling gegeven bevoegdheid. Naar het oordeel van de Raad doet zich hier een dergelijke situatie voor.

4.4.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat appellant destijds in 2005 niet in staat was zijn financiële zaken naar behoren zelf te regelen. Het college heeft in lijn daarmee vanaf die tijd ermee ingestemd dat de bijstand van appellant op de rekening van [naam] werd overgemaakt. Het college heeft ter zitting erkend dat niet bekend is of appellant er ooit op is gewezen dat hij ook onder die omstandigheden nog steeds gehouden was op verzoek inzage te geven in de bankafschriften van [naam]. Gedurende een periode van zes jaar is appellant niet verzocht dergelijke inzage te verstrekken en hebben geen controles plaatsgevonden. In het dossier bevindt zich tot slot een verklaring van [naam] dat hij uit privacyoverwegingen geen inzage wil geven in zijn bankafschriften. Onder deze omstandigheden heeft het college niet zonder meer kunnen overgaan tot intrekking van de bijstand op de enkele grond dat appellant desgevraagd geen bankafschriften van [naam] kon overleggen, zonder appellant eerst de gelegenheid te bieden om aan deze situatie een einde te maken door een eigen bankrekening te openen en zijn financiële zaken op een verifieerbare wijze te regelen. Appellant heeft dit korte tijd later ook gedaan, wat ertoe heeft geleid dat aan appellant met ingang van 10 oktober 2011 weer bijstand is toegekend.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het college na afweging van de rechtstreeks bij de besluitvorming betrokken belangen in dit bijzondere, individuele geval in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB.

4.6.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2011, wegens strijd met de artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 17 oktober 2011 te herroepen. Dit besluit lijdt aan hetzelfde gebrek als het bestreden besluit. Het college heeft appellant met terugwerkende kracht met ingang van 10 oktober 2011 weer bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Gezien de korte periode tussen 25 augustus 2011 en 10 oktober 2011 is het niet aannemelijk dat de omstandigheden gewijzigd zijn.

5.

Het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958). De datum van ingang van de wettelijke rente is 1 november 2011.

6.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 juni 2012, voor zover het ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2011;

  • -

    herroept het besluit van 17 oktober 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 22 juni 2012;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van schade zoals in 5 vermeld;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van

€ 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.M. Overbeeke en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.E.M. Paddenburgh

JvC