Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
13-2038 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brand in woning. Verblijf bij familie. Blokkering en intrekking bijstand. Niet meer woonachtig in gemeente.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 40
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 10
Burgerlijk Wetboek Boek 1 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/294
RSV 2014/225

Uitspraak

13/2038 WWB

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2013, 12/3726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Werk en Inkomen Lekstroom te Nieuwegein (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur met ingang van 1 mei 2013 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein werden uitgeoefend. Hierna zal het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein telkens met dagelijks bestuur worden aangeduid.

Namens appellante heeft mr. S.T.C. Rebergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Appellante, ambtshalve opgeroepen, en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door

mr. W. Janssen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande. In haar woning aan de [adres] (uitkeringsadres) is in juni 2011 brand ontstaan. De verhuurder van de woning, Portaal, heeft naar aanleiding van de brand de sloten van de woning vervangen, waardoor appellante vanaf juli 2011 geen toegang meer had tot de woning. Ook heeft Portaal een verzoekschrift tot ontbinding van de huurovereenkomst ingediend. Appellante heeft vanaf december 2011 bij familie in [gemeente 1] verbleven.

1.2.

Het dagelijks bestuur heeft de uitbetaling van de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2012 geblokkeerd. Bij besluit van 5 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante per 1 januari 2012 ingetrokken. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante met ingang van 1 januari 2012 niet meer in de gemeente [gemeente 2] woonde.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat sprake was van een tijdelijk verblijf elders. Haar intentie was terug te keren naar haar woning in [gemeente 2]. Gedurende de ontbindingsprocedure heeft appellante de huur alsmede gas, water en licht ten behoeve van deze woning doorbetaald en zij ontving haar post daar. In de procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst heeft zij verweer gevoerd. Zij heeft haar gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) niet gewijzigd. De rechtbank had dan ook niet tot het oordeel kunnen komen dat zij haar woonstede had prijsgegeven en dat er geen reële kans op terugkeer bestond.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Beoordeeld dient te worden de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 maart 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in dit artikel dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) komt bij de vraag waar iemand woonplaats heeft geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de GBA.

4.3.

Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

4.4.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

4.5.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:11 BW vormen daden waaruit de wil blijkt om zijn woonstede prijs te geven niet de enige wijze waarop men zijn domicilie verliest, aangezien dit ook verloren gaat wanneer het perceel door brand of gerechtelijke ontruiming voor de betrokkene niet meer bewoonbaar is. Een aanvulling van de bepaling in deze zin heeft de wetgever niet nodig geacht, aangezien uit de bepaling van het begrip “woonplaats” reeds volgt dat wanneer het perceel voor de betrokkene onbewoonbaar is geworden, dus niet meer zijn woonstede noch zijn werkelijk verblijf kan zijn, hij aldaar niet meer zijn woonplaats heeft (Kamerstukken II 1956-1957, 3767, nr. 7, blz. 7-8). Ook zonder daden van betrokkene kan de woonstede derhalve verloren gaan, namelijk in het geval dat betrokkene er feitelijk niet meer kán wonen.

4.6.

Niet in geschil is dat appellante vanaf 1 juli 2011 niet meer in haar woning op het uitkeringsadres heeft verbleven en dat zij in de te beoordelen periode bij familie in [gemeente 1] verbleef. Gezien de brand en de vervanging van de sloten van de woning in [gemeente 2] kon appellante geen gebruik meer maken van haar woning. Deze is daarom niet meer aan te merken als haar woonstede. Bij gebreke van een woonstede geldt de plaats van haar werkelijke verblijf als haar woonplaats. Dit was [gemeente 1]. Hieraan kan de intentie van appellante om naar Nieuwegein terug te keren niet afdoen. De uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9963, waarnaar appellante heeft verwezen, ziet reeds vanwege het feit dat in die zaak betrokkene kon terugkeren naar haar woning niet op een vergelijkbaar geval en kan haar dus niet baten.

4.7.

Gelet op het voorgaande bestond dan ook in de te beoordelen periode geen recht op bijstand van appellante jegens het dagelijks bestuur.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.K. Dekker

IJ