Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2559

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
13-2986 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2986 WWB

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 april 2013, 12/1178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Birrou, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 juni 2014, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 9 februari 2012 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van hetgeen appellant bij de aanvraag heeft verklaard over zijn inkomsten en zwart werk heeft de sociale recherche Roermond een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft de sociale recherche op 26 maart 2012, na een spreekkamergesprek met appellant, een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven adres, [adres] (hierna: opgegeven adres). Appellant stond vanaf 7 februari 2007 ingeschreven op dit adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 27 maart 2012.

1.3.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 29 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2012 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Gelet op de bevindingen tijdens het huisbezoek is komen vast te staan dat appellant niet daadwerkelijk woonachtig is op het opgegeven adres. Daarnaast heeft appellant niet kunnen aantonen waarvan hij de voorgaande acht jaar heeft geleefd en heeft hij niet aannemelijk kunnen maken dat het inkomen dat hij gedurende deze jaren had, niet meer aanwezig is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat gezien het feit dat appellant al vanaf 2007 stond ingeschreven op het opgegeven adres had mogen worden verwacht dat bij het huisbezoek meer spullen van hem zouden zijn aangetroffen. Appellant had in de te beoordelen periode geen hoofdverblijf op het opgegeven adres. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Het college heeft hem bij besluit van 24 juli 2012 met ingang van 20 april 2012 bijstand toegekend. De feiten en omstandigheden waren ten tijde van de toekenning van de bijstand hetzelfde als ten tijde van de aanvraag van februari 2012. Het oordeel van de rechtbank dat het gezien de aangetroffen huisraad niet aannemelijk is dat appellant woonde op het opgegeven adres, is onbegrijpelijk. Hij had op 26 maart 2012 weinig kleren in huis omdat zijn moeder zijn kleding wast en hij heeft weinig voedsel in zijn koelkast omdat hij regelmatig iets uit de supermarkt beneden zijn woning, waarvan zijn broer de eigenaar is, mag halen. De rechtbank heeft miskend dat elk huishouden verschillend is.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 9 februari 2012 tot en met 29 maart 2012.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.3.

Bij het huisbezoek toonde appellant een kamer met een kale planken vloer. De bankpas van appellant lag op de televisie. Ook lagen er ongeopende brieven van het CJIB. Andere post dan deze lag er niet, behalve bankafschriften die appellant had moeten inleveren voor de aanvraag. Appellant kon desgevraagd geen laadsnoer van zijn mobiele telefoon tonen en verklaarde dat dit de dag ervoor kapot was gegaan en dat hij het had weggegooid. Appellant heeft pogingen gedaan de televisie aan te zetten, maar slaagde hier niet in. Volgens appellant deed deze het wel. De rapporteur heeft geconstateerd dat dit vreemd was, aangezien de kabel die achter de televisie langs liep geen aansluiting had en rechtstreeks van buiten naar de kamer naast die van appellant liep. Appellant had hiervoor geen verklaring. In de kast lagen enkele kledingstukken, maar geen truien of broeken. Appellant verklaarde dat zijn moeder de was deed. Er was geen linnengoed, afgezien van twee gebruikte handdoeken. Een lamp ontbrak op de kamer. Hierover verklaarde appellant dat de lamp een paar dagen geleden kapot was gevallen en dat hij de huisbaas had gevraagd deze te vervangen. Er was verder geen mogelijkheid tot verlichting. Op het schap van de koelkast dat volgens appellant van hem was, stonden een pot augurken en twee potjes pudding.

4.4.

De rechtbank heeft niet alleen overwogen dat bij het huisbezoek op 26 maart 2012 weinig kleding en voedsel werd aangetroffen, maar ook de afwezigheid van linnengoed, de ontbrekende verlichting en de niet-aangesloten televisie, de geringe hoeveelheid poststukken en het ontbreken van de administratie van appellant op het opgegeven adres genoemd. Gelet op de onder 4.2 weergegeven bewijslastverdeling was het aan appellant om aannemelijk te maken dat hij woonde op het opgegeven adres. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant daar niet in is geslaagd. De aangetroffen situatie roept, zeker in het licht van het aantal jaren dat appellant al op het opgegeven adres zou wonen, gerede twijfels op. Met zijn verklaringen voor de genoemde bevindingen heeft appellant deze twijfels niet weggenomen.

4.5.

De stelling van appellant dat uit de toekenning van bijstand bij besluit van 24 juli 2012 volgt dat hij ook per 9 februari 2012 recht op bijstand had, slaagt niet. Aan de toekenning ligt een nieuw onderzoek ten grondslag, waarbij twee huisbezoeken zijn afgelegd. Uit het daarvan opgemaakte rapport van 24 juli 2012 blijkt dat de situatie die het college daarbij heeft aangetroffen, afweek van die bij het huisbezoek van 26 maart 2012.

4.6.

Aangezien als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant over de hier te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, heeft het college de aanvraag om bijstand terecht afgewezen.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.K. Dekker

IJ