Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
12-5511 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van voedingssupplementen. Er is ... onvoldoende grondslag voor handhaving van de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Het geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit kan nog wel worden hersteld. Met het oog daarop dient het college nader medisch onderzoek te (laten) verrichten naar de aanwezigheid van een medische noodzaak voor de gevraagde bijzondere bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5511 WWB-T

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 september 2012, 12/781 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Epe (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

S.J.M. van Zuidam.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 7 juli 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

S.J.M. van Zuidam.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1990 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In 2007 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor consulten bij haar orthomoleculair arts en door hem voorgeschreven vitaminepreparaten. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 mei 2009 het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Op 10 augustus 2011 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van voedingssupplementen.

1.2.

Bij besluit van 16 augustus 2011, gehandhaafd bij besluit van 19 april 2012 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor medische kosten als passende en toereikende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB worden beschouwd. Er zijn geen dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de WWB om hiervan af te wijken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat er geen reguliere medicijnen zijn voor de insulineresistentie of hypoglykemie waaraan zij lijdt. Uit bloedonderzoek in de periode van 2007 tot en met 2011 blijkt dat de voorgeschreven supplementen goed werken. Appellante kan deze echter niet meer betalen. Zonder gebruik van de supplementen bestaat het gevaar dat zij door een te hoog insulinegehalte in coma raakt. Appellante heeft onder meer een verklaring overgelegd van haar behandelend arts

P.W.M. van Meerendonk (Van Meerendonk) van 12 oktober 2012 die, voor zover hier van belang, inhoudt dat appellante ten gevolge van het metabole syndroom en het chronisch vermoeidheidssyndroom sterk wisselende bloedsuikers heeft, waardoor zij regelmatig dreigt flauw te vallen. Met behulp van bloedsuikerregulerende voedingssupplementen en immuunregulerende middelen kunnen deze klachten sterk beperkt worden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de meervoudige kamer heeft het college meegedeeld dat het standpunt dat de aanvraag op grond van artikel 15, eerste lid, van de WWB dient te worden afgewezen, niet wordt gehandhaafd. De aanvraag dient volgens het college te worden beoordeeld in het kader van artikel 35 van de WWB.

4.2.

Gelet op dit nadere standpunt van het college treft het hoger beroep doel. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

4.3.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.4.

Het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, omdat het gebruik van de voedingssupplementen voor appellante niet medisch noodzakelijk is. Dit kan volgens het college worden geconcludeerd uit de door appellante overgelegde brief van haar internist van 25 maart 2011 gelezen in samenhang met de brief van Van Meerendonk van 12 oktober 2012. Appellante heeft niet aangetoond dat een reguliere behandeling voor haar aandoeningen niet mogelijk is. Dat het niet gebruik maken van de supplementen tot een comateuze toestand kan leiden, blijkt niet. Er is dan ook geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35 van de WWB, aldus het college.

4.5.

De Raad volgt het college niet in dit standpunt. Er heeft nog geen medisch onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van de aanvraag van appellante. De brief van de internist van 25 maart 2011 is door appellante zelf in het geding gebracht en betreft een aan haar huisarts gericht verslag van een consult dat appellante bij de internist heeft gehad. Anders dan het college heeft betoogd, valt naar het oordeel van de Raad uit die brief niet af te leiden dat het gebruik van voedingssupplementen voor appellante niet medisch noodzakelijk is. De internist heeft zich daarover niet uitgelaten. Het college kan dan ook niet aan de hand van die brief - en bij gebreke van een ander objectief medisch oordeel dat daarvoor steun biedt - concluderen dat geen sprake is van een medische noodzaak voor het gebruik van voedingssupplementen door appellante. Er is dan ook onvoldoende grondslag voor handhaving van de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Het geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit kan nog wel worden hersteld. Met het oog daarop dient het college nader medisch onderzoek te (laten) verrichten naar de aanwezigheid van een medische noodzaak voor de gevraagde bijzondere bijstand.

4.6.

De Raad ziet aanleiding om, met toepassing van 21, zesde lid, van de Beroepswet, het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2012 met inachtneming van wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen. Omdat het college nader advies zal moeten inwinnen, zal de termijn waarbinnen een nadere beslissing moet worden genomen worden bepaald op twaalf weken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 19 april 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en Y.J. Klik en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

HD