Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
13-741 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand omdat appellante vanaf 1 oktober 2010 de inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college onjuiste dan wel onvoldoende inlichtingen te verstrekken over haar woonsituatie en haar financiële situatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/741 WWB

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-[woonplaats] van

27 december 2012, 12/1155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft met ingang van 10 januari 2002 bijstand ontvangen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij stond vanaf 10 maart 2010 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Omdat een andere klant van het college mevrouw [S.] ([S.]) zich, met haar drie kinderen, op

6 september 2010 ook op het uitkeringsadres heeft laten inschrijven, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In het kader van dat onderzoek heeft onder meer een huisbezoek aan het uitkeringsadres plaatsgevonden, zijn twee spreekkamergesprekken met appellante gevoerd en heeft een analyse van de bankafschriften plaatsgehad. De bevindingen en conclusies van dat onderzoek zijn vervat in de rapportage van 23 september 2011.

1.2.

Bij besluit van 4 oktober 2011, gehandhaafd bij besluit van 24 april 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 oktober 2010 ingetrokken op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet de noodzakelijke verifieerbare inlichtingen te verstrekken over haar verblijf, verrichte kasstortingen en haar financiële gedrag. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze betrekking heeft op haar woonsituatie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.2.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat zij wel degelijk haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en daar ook nu nog steeds woont. Het was de bedoeling dat [S.] met haar drie kinderen slechts tijdelijk bij appellante zou komen wonen. Het was niet te voorzien dat dit zo lang zou gaan duren. Een groot deel van de inboedel is van [S.], maar de eethoek en de koelkast zijn van appellante. Appellante slaapt in de voorste slaapkamer en [S.] met de kinderen in de achterste slaapkamer. Omdat de woning zo klein is ging appellante vaak naar vrienden, vooral in de weekends. Maar dit zegt niets over het hoofdverblijf van appellante. Het college was dan ook niet bevoegd de bijstand in te trekken, aldus appellante.

4.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de beschikbare gegevens, met name de onderzoeksgegevens van bankafschriften, huurbetalingen en het waterverbruik alsmede de bevindingen tijdens het huisbezoek op 2 september 2011 en de verklaringen van appellante tijdens twee spreekkamergesprekken, voldoende grondslag boden voor de conclusie dat appellante vanaf 1 januari 2011 niet daadwerkelijk op het uitkeringsadres woonde.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat sedert oktober 2010 verschillende kasstortingen hebben plaatsgevonden waarvoor appellante geen geloofwaardige verklaring heeft kunnen geven en dat appellante toen ook veelvuldig pinbetalingen buiten [woonplaats] heeft verricht, zodat de rechtbank het standpunt van het college heeft onderschreven dat appellante in de periode van 1 oktober 2010 tot en met in ieder geval 1 januari 2011 onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over haar financiële situatie.

4.4.

Het onder 4.3 weergegeven oordeel van de rechtbank, voor zover dit in hoger beroep is aangevochten, is juist. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde hier van belang haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Bij het huisbezoek op 2 september 2011 was appellante niet aanwezig, maar wel [S.] met haar kinderen en haar stiefbroer. Er zijn op de begane grond en in de slaapkamers geen persoonlijke spullen van appellante aangetroffen, met uitzondering van een verfrommeld bankafschrift en een aan appellante gericht, ongeopend poststuk. In de badkamer is alleen een lege fles shampoo van appellante aangetroffen. [S.] heeft de rapporteurs meegedeeld dat appellante de slaapkamer aan de voorzijde gebruikte. In deze kamer was echter niets te vinden wat te herleiden was naar appellante. De rapporteurs hebben niet aannemelijk geacht dat de in de slaapkamer aan de voorzijde aangetroffen kledingstukken, gelet op de maten, (mede) van appellante waren. Zij hebben het qua ruimte en inrichting van de twee slaapkamers van de woning ook niet aannemelijk geacht dat appellante één van die slaapkamers in gebruik had en dat [S.] met haar drie kinderen, dus met vier personen, in de achterste slaapkamer zou verblijven en slapen. Alleen op de zolder waren enkele tassen opgeslagen met kleding die wel van appellante kon zijn. Appellante heeft echter op 14 september 2011 verklaard dat op de zolder geen kledingstukken van haar aanwezig waren. Over haar woon- en leefsituatie heeft appellante wisselende verklaringen afgelegd. Ter zitting heeft zij enerzijds gesteld dat zij vrijwel niets bezat en anderzijds dat de in de woning aanwezige koelkast, de wasmachine, de eettafel en de droger haar eigendom waren. Voorts heeft zij gesteld dat er twee huisraden waren en dat daarom één huisraad op zolder stond. Daar is bij het huisbezoek echter geen volledige huisraad aangetroffen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de woonsituatie van appellante tijdens het huisbezoek was gewijzigd ten opzichte van de situatie op 1 januari 2011. Uit de bankafschriften is gebleken dat appellante vanaf 1 januari 2011 geen betalingen heeft verricht voor huur, water, gas, elektra en telefoon. Ook is niet gebleken dat, zoals zij heeft gesteld, [S.] de huur betaalde en dat zij vervolgens € 325,- aan [S.] overmaakte. In de bankafschriften zijn namelijk geen overmakingen van deze bedragen aan [S.] zichtbaar en deze betalingen kunnen ook niet uit de geldopnames worden herleid. Appellante heeft in hoger beroep nog verklaringen van 20 maart 2013 van haar ouders en van [S.] overgelegd. Die verklaringen hebben betrekking op de woonsituatie van appellante en zijn achteraf opgesteld, zodat daaraan, bezien in het licht van de vorengenoemde gegevens, geen relevante betekenis toekomt. Dat aan appellante later met ingang van 1 november 2013 opnieuw bijstand is verleend op het uitkeringsadres, leidt niet tot een ander oordeel. Dat ziet immers op een latere periode dan hier in geding en de feitelijke situatie was toen gewijzigd, reeds omdat [S.] met haar kinderen een eigen woning toegewezen had gekregen en in juni 2013 naar die woning was vertrokken.

4.5.

Appellante heeft nog aangevoerd dat de ingangsdatum van de intrekking van de bijstand niet deugt. Indien het college al bevoegd is tot intrekking, dan is dat eerst met ingang van

1 januari 2011 het geval en niet reeds met ingang van 1 oktober 2010, aldus appellante. Nu appellante echter heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende inzicht is verkregen in de financiële situatie van appellante vanaf 1 oktober 2010, is de juistheid van de intrekking per die datum in rechte komen vast te staan.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat appellante vanaf 1 oktober 2010 de inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college onjuiste dan wel onvoldoende inlichtingen te verstrekken over haar woonsituatie en haar financiële situatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6.

Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) O.P.L. Hovens

HD