Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
13-2284 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. Schending linlichtingenverplichting. Het recht op bijstand is niet vast te stellen. Periode van 3 juli 2012 tot en met 2 augustus 2012. Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag. Vanaf 5 oktober 2012 is er sprake van een wijziging in de omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2284 WWB, 13/4171 WWB

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2013, 12/1165 (aangevallen uitspraak 1) en van 28 juni 2013, 13/238 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 17 juni 2014. Namens betrokkene is mr. Van Dijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 16 september 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Nadat fraudecontroleurs van de gemeente Hoogezand-Sappemeer betrokkene meerdere malen rijdend in een bedrijfswagen van het bedrijf [naam bedrijf 1] hadden waargenomen, hebben deze fraudecontroleurs een onderzoek ingesteld naar de betrokkenheid van betrokkene bij dit bedrijf. In dat kader is dossieronderzoek gedaan en zijn waarnemingen verricht in de omgeving van het woonadres van betrokkene en het adres waarop [naam bedrijf 1] is gevestigd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport vooronderzoek van 5 juli 2010. Het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) heeft vervolgens nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, bij diverse instanties informatie opgevraagd, gegevens van Marktplaats gevorderd, afschriften van de bankrekening van betrokkene gevorderd en getuigen gehoord. Uit de van Marktplaats verkregen gegevens is naar voren gekomen dat in de periode van 1 april 2007 tot en met

16 april 2012 vanaf het IP-adres dat tot betrokkene is te herleiden in totaal 4.616 advertenties van het bedrijf [naam bedrijf 2] en van betrokkene op Marktplaats zijn geplaatst, dat bijna alle advertenties betrekking hadden op steigerhouten (tuin)meubels en dat betrokkene in die periode ook advertentiekosten van Marktplaats heeft betaald. Op 3 juli 2012 heeft de sociale recherche de woning van betrokkene en het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] en van het aan dit bedrijf verbonden bedrijf [naam bedrijf 2] doorzocht en administratie in beslag genomen. Beide bedrijven staan op naam van [naam broer van betrokkene], de broer van betrokkene. Betrokkene is op 3, 4 en 5 juli 2012 verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 juli 2012 en een proces-verbaal van 1 augustus 2012.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 2 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2012 (bestreden besluit 1), voor zover thans van belang, de bijstand van betrokkene met ingang van 1 april 2007 in te trekken en de over de periode van 1 april 2007 tot 1 juli 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 70.350,42 van betrokkene terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene op geld waardeerbare werkzaamheden voor de bedrijven van zijn broer heeft verricht door onder andere het bezorgen van goederen, het plaatsen van advertenties, het aannemen van de telefoon en het onderhouden van contacten met klanten. Daarnaast heeft betrokkene zelfstandig werkzaamheden verricht door het maken van meubels en de verkoop daarvan en heeft hij daaruit ook inkomsten genoten. Betrokkene heeft van deze werkzaamheden en inkomsten geen melding gemaakt bij het college. Omdat betrokkene geen administratie heeft bijgehouden is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.4.

Betrokkene heeft op 21 juli 2012 opnieuw bijstand aangevraagd. In reactie op de bij brief van 5 september 2012 door het college gestelde vraag wat er per 3 augustus 2012 in de situatie van betrokkene is gewijzigd, heeft betrokkene in een brief van 11 september 2012 gesteld dat hij geen advertenties meer op internet plaatst en niet of nauwelijks nog bij zijn broer komt. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de toezichthouder van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hoogezand-Sappemeer een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft de toezichthouder onderzoek op internet gedaan naar de bedrijven [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2], een internetoverzicht van de bankrekening van betrokkene opgevraagd, waarnemingen verricht en met betrokkene op 4 oktober 2012 een gesprek gevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 oktober 2012.

1.5.

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft het college de aanvraag van betrokkene afgewezen op de grond dat niet gebleken is van relevante wijzigingen in de situatie van betrokkene ten opzichte van zijn situatie van vóór 3 augustus 2012. Bij afzonderlijk besluit van 16 oktober 2012 heeft het college de aan betrokkene verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 1.522,80 van hem teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 24 januari 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 16 oktober 2012 ongegrond verklaard.

1.7.

Nadat betrokkene wederom een nieuwe aanvraag om bijstand had ingediend, heeft het college aan betrokkene met ingang van 17 oktober 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar (lees: de bezwaren) van betrokkene te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het onderzoeksrapport onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat betrokkene bij zijn broer of als zelfstandige productieve arbeid heeft verricht.

3.1.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 gekeerd voor zover deze ziet op de intrekking over de periode van 3 juli 2012 tot en met 2 augustus 2012 en op de terugvordering. Hij heeft aangevoerd dat in die periode geen onderzoek is verricht en dat ook anderszins niet is onderbouwd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting. Betrokkene heeft steeds gezegd dat hij zich na de data waarop hij is verhoord niet meer heeft begeven op het bedrijfsterrein van zijn broer en ook anderszins geen arbeid meer heeft verricht en inkomen heeft gegenereerd. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ook in de periode na de verhoren voldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Aangezien het gaat om een belastend besluit ligt het op de weg van het college om dit aannemelijk te maken en kan betrokkene niet worden tegengeworpen dat hij het recht op bijstand niet heeft aangetoond. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Het college heeft de vordering immers laten oplopen door de bijstand niet al in juli 2010 in te trekken, terwijl het onderzoeksrapport van 5 juli 2010 voldoende grondslag bood daartoe over te gaan.

3.2.

Het college heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat de bewijslast bij een nieuwe aanvraag na een eerdere intrekking van de bijstand op de aanvrager rust. Betrokkene is er niet in geslaagd om aan te tonen dat zijn situatie zodanig is gewijzigd dat wel recht op bijstand bestaat. De enkele ongemotiveerde ontkenning van de werkzaamheden door betrokkene is daartoe onvoldoende, zeker gelet op de onderzoeksresultaten op grond waarvan het recht op bijstand is ingetrokken en gelet op het onderzoek dat naar aanleiding van de nieuwe aanvraag heeft plaatsgevonden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

Aangevallen uitspraak 1: intrekking en terugvordering

4.1.

Het geding spitst zich wat betreft de intrekking toe op de vraag of betrokkene in de hier te beoordelen periode van 3 juli 2012 tot en met 2 augustus 2012, net als in de voorafgaande periode van 1 april 2007 tot 3 juli 2012, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Anders dan het college betoogt, geldt deze bewijslast ook voor de hier te beoordelen periode. Dat vaststaat dat betrokkene in de periode tot 3 juli 2012 werkzaamheden heeft verricht, betekent niet dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat dit ook in de te beoordelen periode het geval was.

4.3.

Uit de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in het rapport van 15 oktober 2012 blijkt dat de website [naam bedrijf 2].nl ook in de hier te beoordelen periode nog actief was. Op Marktplaats zijn ook na 3 juli 2012 nog advertenties van [naam bedrijf 2] geplaatst, waarvan de gegevens, zoals het telefoonnummer en gebruikersidentiteit, identiek zijn aan de gegevens van de door betrokkene voor 3 juli 2012 geplaatste advertenties. De Hyves-pagina van betrokkene was nog tot en met 4 oktober 2012 actief en bevatte foto’s van [naam bedrijf 1] en een link naar zowel de website als de Hyves-pagina van [naam bedrijf 1] en van [naam bedrijf 2]. De Twitteraccount met de naam [naam bedrijf 2].nl had eveneens een link naar de website van [naam bedrijf 2]. Vanaf dit Twitteraccount was in september 2012 nog getwitterd over meubels van het bedrijf [naam bedrijf 2] en een tweet geplaatst met een link naar Marktplaats. Betrokkene heeft tijdens het gesprek op 4 oktober 2012 verklaard dat hij de gebruiker is van voornoemd Twitteraccount. Direct na dit gesprek zijn het Twitteraccount en de Hyves-pagina van betrokkene van internet verwijderd.

4.4.

Anders dan betrokkene heeft gesteld, blijkt uit 4.3 dat hij in de te beoordelen periode nog steeds banden had met en - op geld waardeerbare - werkzaamheden verrichtte voor de bedrijven van zijn broer. Gelet hierop bestaat ook voor die periode voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden voor de bedrijven van zijn broer. Nu betrokkene ook naderhand geen duidelijkheid heeft verschaft over de omvang van deze werkzaamheden, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Het beroep van betrokkene op de zesmaandenjurisprudentie gaat niet op, omdat voor toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats is, indien, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of niet volledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie. Wat er ook zij van de onderzoeksbevindingen in het rapport van 5 juli 2010, het oplopen van de vordering is aan betrokkene zelf te wijten, nu hij de inlichtingenverplichting ook na juli 2010 niet is nagekomen.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 1 zal worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2: nieuwe aanvraag

5.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 3 augustus 2012 tot en met 16 oktober 2012.

5.2.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

5.3.

Uit 4.3 blijkt dat betrokkene, anders dan hij heeft aangevoerd, ook na 3 juli 2012 nog banden had met en activiteiten heeft verricht voor de bedrijven van zijn broer. Gelet hierop heeft betrokkene onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde van zijn aanvraag sprake was van gewijzigde omstandigheden. Vaststaat echter dat het Twitteraccount en de Hyvespagina van betrokkene, waarmee betrokkene activiteiten voor de bedrijven van zijn broer op internet verrichtte, op 4 oktober 2012 zijn verwijderd. Het college heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hierin een relevante wijziging in de omstandigheden is gelegen die mede ten grondslag heeft gelegen aan de verlening van bijstand met ingang van 17 oktober 2012. Voor het standpunt van het college dat desondanks ook na 4 oktober 2012 sprake is geweest van betrokkenheid van betrokkene bij [naam bedrijf 2] of [naam bedrijf 1], bieden de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag. De enkele omstandigheid dat betrokkene op 9 en 10 oktober 2012 gebruik heeft gemaakt van een bedrijfsauto van zijn broer is geen grond voor het standpunt dat betrokkene ook werkzaamheden voor de bedrijven van zijn broer heeft verricht. Betrokkene heeft immers verklaard niet meer op het bedrijf van zijn broer te komen en wel vaker auto’s van familieleden te mogen gebruiken. Daarbij komt dat betrokkene geen enkele keer is waargenomen bij de bedrijven van zijn broer. Verder is niet in geschil dat in de hier te beoordelen periode geen sprake meer is geweest van het maken en verkopen van meubels door betrokkene.

5.4.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft betrokkene eerst vanaf 5 oktober 2012 aangetoond dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in de in 5.2 bedoelde zin en bestaat vanaf 5 oktober 2011 aanspraak op bijstand. Hieruit vloeit voort dat het college de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen voor zover het de periode van 3 augustus 2012 tot en met 4 oktober 2012 betreft. De rechtbank heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden bij het geven van de opdracht om opnieuw op de bezwaren te beslissen. Gelet hierop slaagt het hoger beroep van het college deels. De Raad zal de aangevallen uitspraak 2 vernietigen voor zover het de door de rechtbank gegeven opdracht betreft en bepalen dat het college met inachtneming van de uitspraak van de Raad opnieuw zal beslissen op de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 16 oktober 2012. Omdat het hier gaat slechts om een financiële uitwerking ziet de Raad geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus.

Proceskosten

6.1.

Voor een veroordeling in de proceskosten in de procedure met registratienummer 13/2284 WWB (aangevallen uitspraak 1) bestaat geen aanleiding.

6.2.

Aangezien het hoger beroep van het college tegen de aangevallen uitspraak 2 slechts gedeeltelijk slaagt, bestaat aanleiding om in de procedure met registratienummer 13/4171 WWB het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2, voor zover daarbij is bepaald dat het college opnieuw

dient te beslissen op de bezwaren van betrokkene;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.F. Claessens en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J.T.P. Pot

HD