Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-1243 APPA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. Anders dan appellante meent, valt noch de pensioenopgave noch de telefonisch en via e-mail verstrekte informatie, in welke laatste informatie overigens ook nog eens enige voorbehouden zijn te lezen, met zo’n toezegging op één lijn te stellen. Gelet op artikel 122, eerste tot en met derde lid, in samenhang met artikel 158, van de Appa, is het college in beginsel gehouden om fouten in eenmaal tot stand gekomen besluitvorming te herstellen. Met dat systeem verdraagt zich niet dat aan informatie verstrekt voorafgaand aan die besluitvorming al rechten zouden zijn te ontlenen waarin nimmer meer verandering kan worden gebracht. Beroep op zorgvuldigheidsbeginsel faalt ook: Hoe zeer ook geldt dat de informatieverstrekking voorafgaand aan dat besluit gebreken heeft vertoond, dat appellantes pensioen uiteindelijk toch tot het juiste bedrag is vastgesteld valt (...) in generlei opzicht als onzorgvuldig te betitelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1243 APPA

Datum uitspraak: 24 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het College van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J. Nijssen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 23 oktober 2012, kenmerk CO/P&O/ (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft tevens nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nijssen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.C.J. Kommeren en mr. drs. R.J. Wesel.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante, geboren op 13 juli 1947, is gewezen wethouder en was uit dien hoofde verzekerd voor een ouderdoms- en nabestaandenpensioen. In een haar in 2008 toegezonden pensioenopgave staat een jaarbedrag van € 9.507,- aan ouderdomspensioen vermeld. In een

e-mailbericht van 9 maart 2011 heeft appellante het college verzocht om, nu haar geen verdere pensioenopgaven zijn toegezonden, te laten weten met welk bedrag zij ongeveer rekening dient te houden. Daarop is geantwoord dat een globale berekening is gemaakt, die uitkomt op een bedrag van € 9.626,- op jaarbasis. Begin 2012 heeft appellante gebeld met het bureau Raet, dat voor het college de berekeningen van de Appa-pensioenen uitvoert. Raet heeft appellante tijdens dat gesprek laten weten dat haar pensioen ongeveer € 800,- per maand zal gaan bedragen.

1.1.

Raet heeft het college bij brief van 24 april 2012 meegedeeld dat het pensioen van appellante € 710,42 bruto per maand zal gaan bedragen. Het college heeft deze brief niet doorgezonden naar appellante. In een e-mailbericht aan het college van 3 juli 2012 heeft appellante gevraagd of het eerder genoemde jaarbedrag van rond de € 9.600 nog steeds klopt. In reactie daarop is appellante meegedeeld dat dit, uitgaande van gegevens van Raet uit 2009, het geval is. Naar aanleiding van deze e-mailwisseling is appellante alsnog een afschrift toegezonden van de brief van Raet van 24 april 2012. Omdat daarop een lager pensioenbedrag zichtbaar is, heeft appellante op 5 juli 2012 telefonisch contact opgenomen met Raet, dat haar heeft meegedeeld dat het lagere bedrag correct is. Tijdens een tweede telefoongesprek op dezelfde dag heeft Raet appellante meegedeeld dat haar pensioen zelfs nog lager zou uitvallen dan aangegeven in de brief van 24 april 2012.

1.2.

Appellante heeft op 13 juli 2012 de leeftijd van 65 jaar bereikt. Bij besluit van

17 juli 2012 heeft het college het pensioen van appellante vastgesteld op een bedrag van

€ 654,92 per maand. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit coulance-overwegingen is daarbij besloten om het pensioen van appellante, gelet op de haar in het verleden bij herhaling verstrekte onjuiste informatie, gedurende het eerste jaar aan te vullen tot een bedrag van € 800,- bruto per maand.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Blijkens de namens het college verstrekte toelichtingen is bij de aanvankelijke berekeningen van het pensioen van appellante een tweetal fouten gemaakt. In de eerste plaats is de verhoogde eindejaarsuitkering voor bestuurders verkeerd meegenomen. Herstel hiervan heeft geleid tot de verlaging tot € 710,42 per maand. In de tweede plaats is te veel pensioentijd meegenomen. Correctie daarvan heeft geleid tot de verdere verlaging tot

€ 654,92 per maand.

2.2.

Ter zitting van de Raad heeft appellante laten weten haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet langer te handhaven, nu uit nagezonden informatie van het college is gebleken dat de correctie met betrekking tot de eindejaarsuitkering inmiddels ook is toegepast in andere gevallen waarin de bewuste fout aan de orde was.

2.3.

Appellante meent nog wel dat het genomen pensioenbesluit, gelet op de in 2008 verstrekte pensioenopgave en de overigens telefonisch en via e-mail verstrekte informatie, in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daarin kan zij niet worden gevolgd. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de kant van het bevoegde orgaan vereist, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Anders dan appellante meent, valt noch de pensioenopgave noch de telefonisch en via e-mail verstrekte informatie, in welke laatste informatie overigens ook nog eens enige voorbehouden zijn te lezen, met zo’n toezegging op één lijn te stellen. Gelet op artikel 122, eerste tot en met derde lid, in samenhang met artikel 158, van de Appa, is het college in beginsel gehouden om fouten in eenmaal tot stand gekomen besluitvorming te herstellen. Met dat systeem verdraagt zich niet dat aan informatie verstrekt voorafgaand aan die besluitvorming al rechten zouden zijn te ontlenen waarin nimmer meer verandering kan worden gebracht. Dit alles wordt niet anders doordat appellante volgens eigen zeggen een door haar afgesloten lijfrentepolis heeft afgestemd op de haar verstrekte voorinformatie.

2.4.

Appellante heeft zich verder nog beroepen op het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook dat beginsel kan haar niet baten. Appellante bestrijdt niet de inhoudelijke juistheid van het besluit van 17 juli 2012. Hoe zeer ook geldt dat de informatieverstrekking voorafgaand aan dat besluit gebreken heeft vertoond, dat appellantes pensioen uiteindelijk toch tot het juiste bedrag is vastgesteld valt, het overwogene onder 2.3 mede in aanmerking genomen, in generlei opzicht als onzorgvuldig te betitelen.

2.5.

Het besluit van 17 juli 2012 is dus terecht bij het bestreden besluit gehandhaafd. Appellante is niet tekort gedaan met de bij dat laatste besluit tevens toegekende coulancevergoeding.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD