Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
12-6571 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht. Herseninfarct na klap met schild tijdens oefening. Geen schriftelijke trainingsrisicoanalyse, wel mondelinge instructie over het gebruik van de wapenstok, zowel aan de groep demonstranten als aan de groep ME’ers. Een dergelijke instructie heeft niet plaatsgevonden over het gebruik van het schild. Met nader besluit geheel tegemoetgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/291
TAR 2014/168

Uitspraak

12/6571 AW, 13/1145 AW

Datum uitspraak: 24 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

31 oktober 2012, 11/1646 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil appellant in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Utrecht, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. D.E. Blonk hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. van Overdam, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 25 februari 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E. Blonk en R. [naam inspecteur]. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Overdam.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Betrokkene heeft op 28 mei 2009 als [naam functie A.] deelgenomen aan een grootschalige oefening van de Mobiele Eenheid (ME) in [plaatsnaam], Duitsland. Aan deze oefening is deelgenomen door politieambtenaren van verschillende Nederlandse politiekorpsen. Tijdens de oefening maakte betrokkene deel uit van een groep van ongeveer acht personen die als demonstrant gepast verzet moesten bieden tegen het optreden van een ME-peloton, welk peloton de opdracht had gekregen de verzetplegers in te sluiten en aan te houden. De groep van betrokkene stond onder leiding van IBT (Integrale Beroepsvaardigheden Training) instructeur [naam inspecteur]. Betrokkene droeg geen speciale beschermende kleding en ook geen helm. Hij droeg een ME-broek, een trui en een bijtmouw. De bijtmouw had betrokkene als hondenbegeleider aan en heeft hij, uit praktische overwegingen, aangehouden. Tijdens de oefening is betrokkene aangehouden en diende hij op aanwijzingen van de ME’er op de grond te gaan zitten. In verband met zijn bijtmouw werd betrokkene niet geboeid, maar werd gedaan alsof hij geboeid was. Toen betrokkene merkte dat er niet op hem werd gelet heeft hij, conform de vooraf gegeven instructie, geprobeerd te ontsnappen door rustig weg te lopen. Hij reageerde niet op het roepen van een ME’er. Vervolgens is betrokkene door een ME’er staande gehouden. De ME’er heeft daarbij het schild gebruikt. Tijdens het staande houden is dat schild tegen het hoofd van betrokkene gekomen ter hoogte van zijn rechterslaap. Na zijn aanhouding moest betrokkene opnieuw op de grond gaan zitten en heeft hij, in een onbewaakt ogenblik, nogmaals geprobeerd te ontsnappen. Tijdens deze poging is betrokkene door een ME’er in zijn kraag gepakt en vervolgens diende hij op de grond te gaan liggen. Daarna heeft betrokkene zijn pogingen om te ontsnappen gestaakt. Kort na de tweede ontsnappingspoging van betrokkene is de oefening beëindigd. De deelnemers van het verzet werden bij elkaar geroepen. Op dat moment heeft betrokkene gezegd dat hij op de grond wilde blijven zitten omdat hij zich niet goed voelde. Betrokkene kreeg vervolgens last van uitvalsverschijnselen, waarna hij naar het ziekenhuis is gebracht. Tijdens zijn opname - gedurende in totaal twaalf dagen - is bij betrokkene een herseninfarct aan de rechterzijde vastgesteld. Door de behandelend artsen is vastgesteld dat het infarct is veroorzaakt door, althans kan worden toegeschreven aan, de klap die betrokkene met het schild op zijn hoofd heeft gekregen.

1.3. Bij besluit van 9 juni 2009 heeft appellant het betrokkene overkomen ongeval aangemerkt als dienstongeval in de zin van artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Dit heeft tot gevolg dat bepaalde (medische) kosten en smartengeld wegens invaliditeit voor vergoeding in aanmerking komen op grond van het Barp en het Besluit bezoldiging politie.

2.1. Bij brief van 24 februari 2010 heeft betrokkene appellant verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de gevolgen van het dienstongeval. Bij besluit van 17 juni 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het verzoek van betrokkene om erkenning van aansprakelijkheid afgewezen.

2.2. Het door betrokkene op 24 mei 2011 ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 24 februari 2010 is, na afgifte van het bestreden besluit, aangemerkt als een rechtstreeks beroep tegen dat besluit.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 6 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1535), overwogen dat het beroep op de norm van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW) inzake goed werkgeverschap niet slaagt, omdat in het ambtenarenrecht geen ruimte bestaat om, naast een beroep op de norm in artikel 7:658 van het BW, ook op die norm een beroep te doen. Het beroep van betrokkene op artikel 6:170 van het BW slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin, omdat niet is gebleken dat door een collega ME’er jegens betrokkene een onrechtmatige daad is gepleegd. Het beroep van betrokkene op de zorgplicht van appellant slaagt wel. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat wat betreft de zorgplicht van de werkgever de norm wordt gehanteerd die tot uitdrukking is gebracht in artikel 7:658 van het BW. Appellant heeft voldoende zorg gedragen voor instructies en professionele begeleiding, maar appellant heeft onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen. In dit geval bestond een voorzienbaar en reëel risico dat de verzet plegende groep die geen beschermende kleding droeg, en die opdracht had de fysieke confrontatie op te zoeken met de ME, lichamelijk letsel zou oplopen. Dit betekent dat appellant het verzoek van betrokkene om aansprakelijkheid te erkennen voor het dienstongeval ten onrechte heeft afgewezen.

3.2. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat hij zijn zorgplicht jegens betrokkene heeft geschonden. Appellant heeft aangevoerd dat, gelet op het doel en de instructies van de oefening, niet voorzienbaar was dat deelnemers - ernstig - gewond zouden raken aan hun hoofd. Het duwen van personen met het schild is een actie die binnen de veiligheidsvoorschriften is toegestaan, waarbij de kans op letsel van deze actie onwaarschijnlijk en minimaal is. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het niet wenselijk is om in een oefening als hier aan de orde de groep demonstranten uit te rusten met bescherming, bijvoorbeeld een helm. Dit leidt niet automatisch tot meer veiligheid.

3.3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij het nader besluit het bezwaar gegrond verklaard en aansprakelijkheid erkend voor de schade die betrokkene lijdt en zal lijden als gevolg van het ongeval voor zover deze schade niet vergoed kan worden op grond van de bepalingen van het Barp.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak

4.1.

Volgens vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht (uitspraak van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072). De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.2.

Gelet op de omvang van het hoger beroep spitst het geding zich toe op de vraag of appellant aan zijn zorgplicht heeft voldaan in die zin dat hij voldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen.

4.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de oefening niet tot doel had de fysieke confrontatie op te zoeken. In de oefening was het de bedoeling om de aangehouden demonstranten te voorzien van handboeien en te laten overbrengen naar een plaats van voorgeleiding, voorzien van de juiste papieren. Onderdeel van de oefening was dat de groep demonstranten gepast verzet moest plegen ten einde voor de ME’ers leermomenten te creëren. Vaststaat dat bij het breken van dit verzet de wapenstok en het schild gebruikt konden worden. Op grond van het verhandelde ter zitting in hoger beroep moet worden vastgesteld dat, anders dan gebruikelijk is, voorafgaande aan de oefening geen schriftelijke trainingsrisicoanalyse is opgemaakt. Er heeft wel een mondelinge instructie over het gebruik van de wapenstok plaatsgevonden, zowel aan de groep demonstranten als aan de groep ME’ers. Een dergelijke instructie heeft niet plaatsgevonden over het gebruik van het schild. Dat, zoals appellant heeft verklaard, duwen met het schild binnen de veiligheidsvoorschriften is toegestaan, doet aan de noodzaak van instructie niet af, zeker omdat het schild bij deze oefening niet alleen als verdedigingsmiddel wordt ingezet, maar ook gebruikt wordt als hulpmiddel om iemand in de achtervolging tot stilstaan te brengen. Vast staat dat betrokkene van achteren werd benaderd door een ME’er en dat het schild van (schuin) achteren tegen de schouder van betrokkene is gekomen en vervolgens tegen zijn hoofd ter hoogte van zijn rechterslaap. Dit betekent dat betrokkene het schild niet heeft (kunnen) zien aankomen en dus niet heeft kunnen anticiperen op een - mogelijk - te verwachten duw, dan wel klap van het schild tegen zijn hoofd. Uit het proces verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat

[naam inspecteur] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat een vrouw betrokkene met het schild sloeg. Betrokkene zelf stelt dat hij een dusdanige harde klap met het schild heeft gehad, dat zijn hoofd een ongecontroleerde zijwaartse knikbeweging naar links heeft gemaakt. Er zijn geen redenen om aan de verklaring van betrokkene te twijfelen. Aannemelijk is dat het schild betrokkene met - enige - kracht heeft geraakt. Verder is van belang dat het ongeval heeft plaatsgevonden in een setting waarbij groepen tegenover elkaar stonden en dat het geen eenzijdig ongeluk betreft. Daarbij komt dat betrokkene, op het moment van het ongeval, niet bezig was met het oefenen van zijn eigen werkzaamheden, maar als demonstrant deelnam aan de oefening. Alle voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leiden er toe dat een voorzienbaar en reëel risico bestond dat degenen die als demonstrant aan de oefening deelnamen lichamelijk letsel zouden oplopen. Door dit risico te aanvaarden heeft appellant nagelaten voor een veilige werkomgeving zorg te dragen en heeft hij zijn zorgplicht geschonden. Hieruit volgt dat appellant aansprakelijk is voor de door betrokkene als gevolg van genoemde schending geleden en nog te lijden schade.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Het nadere besluit

5.1.

Het nadere besluit komt volledig tegemoet aan het bezwaar van betrokkene. Dit brengt mee dat dit besluit, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet in dit geding wordt betrokken.

Proceskosten

6.

Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-;

- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.K. Dekker

HD