Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-1931 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst door een ziekte of gebrek. In het rapport van 16 mei 2011 is bureau Lytton tot de conclusie gekomen dat appellant ondanks diverse behandelingen, al dan niet met enige weken opname, niet belastbaar is voor gangbare arbeid, en niet door middel van een re-integratietraject op grond van het tweede spoor richting arbeid kan worden begeleid. Gelet op deze re-integratie-inspanningen valt niet in te zien dat de minister zou zijn tekortgeschoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1931 MAW

Datum uitspraak: 24 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 februari 2013, 12/8293 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.M. Groenhart hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Voor appellant is

mr. Groenhart verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. A.J. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1999 uitgezonden geweest naar Kosovo. Op 1 januari 2006 is hij uitgevallen wegens psychische klachten.

1.2. Op 15 mei 2007 heeft appellant een geneeskundig onderzoek ondergaan als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). De uitslag daarvan was dat appellant vermoedelijk blijvend dienstongeschikt is te achten. Op 4 oktober 2007 is een militair geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 105 van het AMAR ingesteld, waarvan op 14 juli 2008 de uitslag is bekendgemaakt dat appellant ongeschikt is bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst.

1.3. Bij besluit van 23 november 2011 is appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het AMAR met ingang van 1 april 2012 en onder verwijzing naar de uitslag van het militair geneeskundig onderzoek, eervol ontslag verleend wegens blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst door een ziekte of gebrek.

1.4. Bij besluit van 13 juli 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt het volgende ten grondslag. Noch uit de ter zake doende wet- en regelgeving, noch uit de Nota Herzien Reïntegratiebeleid 2007 (Nota) blijkt een (beleids)regel die het ontslag afhankelijk stelt van de omvang van de aan het ontslag voorafgaande

re-integratie-activiteiten. Gelet op de Nota dient echter wel te worden bezien of er voldoende gebruik is gemaakt van de re-integratie-instrumentaria om appellant (extern) te re-integreren. Daarvan is in dit geval sprake. Appellant is vanaf juli 2007 intensief begeleid in het kader van zijn re-integratie. Het niet succesvol afronden van de re-integratie wordt veroorzaakt door de mate van blijvende dienstongeschiktheid. Hierdoor is het niet mogelijk geweest appellant naar werk te begeleiden. De aansprakelijkstelling van de minister door appellant voor het ontstaan/verergeren van zijn klachten wordt ter behandeling doorgestuurd naar het bevoegd gezag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de minister niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid hem te ontslaan, omdat sprake is geweest van onvoldoende voor-, tussen- en nazorg bij de uitzending naar Kosovo, waardoor appellant PTSS heeft opgelopen en omdat vervolgens onvoldoende invulling is gegeven aan de re-integratiebegeleiding op basis van de Nota.

Voorts is om dezelfde redenen ten onrechte niet bezien of appellant dispensatie verleend had moeten worden voor het feit dat hij dienstongeschikt was.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Er bestaat geen aanleiding om de stelling van appellant te beoordelen dat er slechte voor-, tussen-, en nazorg bij de uitzending naar Kosovo in 1999 is geweest, waardoor appellant PTSS heeft opgelopen. De oorzaak van de PTSS is immers niet relevant voor het antwoord op de vraag of de minister in 2011 in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om appellant te ontslaan op grond van artikel 39, tweede lid, onder f, van het AMAR of voor het antwoord op de vraag of aan appellant dispensatie had moeten worden verleend. Bovendien loopt over de aansprakelijkheid van de minister in verband met de gestelde slechte voor-, tussen-, en nazorg bij de uitzending naar Kosovo een aparte procedure.

4.2.

In de Nota is op pagina 3 opgenomen dat onder re-integratie wordt verstaan: “Het geheel aan maatregelen en activiteiten, gericht op het bevorderen van de inzetbaarheid en belastbaarheid van de arbeidsverzuimende werknemer en gericht op duurzame deelname aan het arbeidsproces, bij voorkeur intern de organisatie en anders extern de organisatie.” Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellant is geplaatst bij het Dienstencentrum Reïntegratie (DCR), onder behandeling is gesteld bij het Centraal Militair Hospitaal en het Sinaï-centrum en EMDR-therapie heeft ondergaan. Verder is appellant voor het tweede spoor van zijn re-integratie aangemeld bij USG-Restart. In het rapport van 16 mei 2011 is bureau Lytton tot de conclusie gekomen dat appellant ondanks diverse behandelingen, al dan niet met enige weken opname, niet belastbaar is voor gangbare arbeid, en niet door middel van een

re-integratietraject op grond van het tweede spoor richting arbeid kan worden begeleid. Gelet op deze re-integratie-inspanningen valt niet in te zien dat de minister zou zijn tekortgeschoten. De enkele omstandigheid dat de re-integratie tot op heden niet succesvol is geweest in die zin dat appellant weer kan deelnemen aan het arbeidsproces kan niet tot die conclusie leiden.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD