Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
12-210 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. De Raad heeft uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de overtuiging gekregen dat betrokkene met de gedragingen ... geen ander belang heeft beoogd te dienen dan dat van de DWI en de desbetreffende klanten, zoals hij blijkens de beoordelingen over 2008 en 2009 ook steeds deed. Dat hij daarbij in dit geval, zonder zich dit te realiseren, te ver is doorgeschoten bij zijn streven om klanten aan werk te helpen en de grens van toelaatbare heeft overschreden, laat onverlet dat zijn goed bedoelde intentie in samenhang met de overige genoemde omstandigheden ertoe leidt dat er onevenredigheid bestaat tussen de in deze uitspraak aanvaarde plichtsverzuimen en de straf van ontslag. Schriftelijke berisping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/175

Uitspraak

12/210 AW, 14/579 AW

Datum uitspraak: 24 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 december 2011, 11/4078 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.C. van Fenema, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere gronden ingezonden.

Appellant heeft bij besluit van 22 januari 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens betrokkene is hier een zienswijze op gegeven door mr. I.L. Gerrits, advocaat.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes-Kouwenoord en drs. M. Rous. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Gerrits.

OVERWEGINGEN


1. Betrokkene was klantmanager bij de[dienst] en in die hoedanigheid vanaf 1 juli 2009 werkzaam als consulent voor niet-uitkeringsgerechtigden (NUG’ers). Op grond van een onderzoeksrapport van het Bureau Integriteit van de Interne Accountantsdienst (IAD) - naar aanleiding van een tip dat betrokkene mogelijk betrokken was bij het zwart laten werken van een klant van hem - heeft appellant de conclusie getrokken dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan integriteitsschendingen. Bij besluit van 28 juli 2010 is betrokkene de disciplinaire straf van ontslag opgelegd (besluit 1). Het daartegen gemaakte bezwaar is, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie, bij besluit van 14 juli 2011 (besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar. De rechtbank heeft, kort samengevat, een deel van de verweten gedragingen niet als plichtsverzuim aangemerkt en overigens geoordeeld dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is.

2.2.

Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 22 januari 2014 heeft appellant, onder voorbehoud van de uitkomst van zijn hoger beroep, het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard, besluit 1 herroepen en betrokkene de straf van schriftelijke berisping opgelegd, onder toekenning van een vergoeding voor de kosten van bezwaar; ook is hierbij de uitbetaling van de dwangsom meegedeeld (besluit 3). Bij het besluit van 22 januari 2014 is ook besloten betrokkene met ingang van 1 april 2014 ontslag te verlenen wegens incompatibiliteit (besluit 4).

2.3.

Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat besluit 2 geheel juist is en verzoekt om het beroep daartegen ongegrond te verklaren. Betrokkene heeft zich achter de uitkomst van de aangevallen uitspraak gesteld.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De besluiten 3 en 4, het laatste met instemming van partijen, worden, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken. Omdat ter zitting besluit 4 nog niet is behandeld wordt bij deze uitspraak daarover nog geen uitspraak gedaan.

Het strafontslag – besluit 2


4. Aan besluit 2 liggen de volgende plichtsverzuimen ten grondslag.

  1. Het thuis ontvangen van[klant 1].

  2. Het willen laten verrichten van werkzaamheden door[klant 1] bij een [vriend 1]

  3. Het bemiddelen van[klant 2] voor werkzaamheden bij een[vriend 2]

  4. Het laten doen van een onrechtmatige (na)betaling aan[klant 3].

  5. Betrokkenheid bij een (deels onrechtmatige) nabetaling aan[klant 3] die tevens een vriendin/bekende was.


4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant de gedragingen i, ii en iii terecht als plichtsverzuim heeft aangemerkt. Met deze gedragingen heeft betrokkene de noodzakelijke verplichting voor ambtenaren van DWI om werk en privé strikt gescheiden te houden teneinde iedere (schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen overschreden. De stelling van betrokkene dat bij het geheel van omstandigheden, die overigens nader aan de orde zullen komen bij de beoordeling van de (on)evenredigheid van de straf, geen sprake is van plichtsverzuim kan dus niet gevolgd worden.

4.2.

De gedragingen iv en v zijn door de rechtbank niet als plichtsverzuim aangemerkt. Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist.

4.3.

De Raad zal eerst beoordelen of betrokkene plichtsverzuim heeft gepleegd doordat hij in zijn functie van consulent bemoeienis heeft gehad met[klant 3] die tevens een vriendin/bekende is. De bemoeienis van betrokkene met[klant 3], het laten verrichten van een herstelbetaling, en de positie van[klant 3]als bevriende relatie van betrokkene staan vast. Niet in geschil is ook dat medewerkers van DWI geen klanten mogen behandelen die familielid of goede bekenden van hen zijn. Betrokkene heeft vanaf het bekend worden van de onderzoeksresultaten over deze gedraging de feiten en omstandigheden uiteengezet bij zijn bemoeienis met het herstel van de ingangsdatum van de vergoeding voor een inburgeringscursus van R. Hij heeft niet geweten dat hij te maken had met de echtgenote van een vriend, die hij alleen kende onder haar voornaam L. In aanmerking genomen dat in de gedingstukken geen aanwijzingen zijn voor de onjuistheid van betrokkenes consistente verklaring, ziet de Raad evenals de rechtbank geen grond om betrokkenes uiteenzetting ongeloofwaardig te achten. Dat betrokkene de achternaam van de echtgenoot in haar dossier had kunnen tegenkomen, als hij alle pagina’s van het elektronische document van[klant 3] zou hebben geraadpleegd, doet hier niet aan af. Onder deze omstandigheden kan de bemoeienis van betrokkene met[klant 3] niet als plichtsverzuim worden aangemerkt .

4.4.

Het gestelde plichtsverzuim iv betrof de wijziging door betrokkene van de ingangsdatum (1 mei 2009) van de onkostenvergoeding van[klant 3] voor een inburgeringscursus naar de datum van 1 februari 2009. De cursus was op 2 maart 2009 begonnen en dus moest de vergoeding op die datum ingaan. Door de fout kreeg[klant 3]bij de herstelbetaling een maand ten onrechte onkosten vergoed. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat hij een administratieve fout heeft rechtgezet, maar dat hij daarbij ook weer een fout heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat de foutieve datum die betrokkene liet invoeren dichter bij de juiste datum ligt dan de oorspronkelijke verkeerde datum en dat het om een korte periode en een gering bedrag (€ 63,67) ging. Appellant acht in hoger beroep nog immer plichtsverzuim aanwezig vanwege de omstandigheid dat betrokkene de hersteldatum van 1 februari 2009 hetzij op eigen initiatief dan wel louter op basis van een telefonische mededeling van[klant 3] tot stand heeft gebracht.

4.4.1.

Het onderzoeksverslag van de IAD en de bijlagen laten zien, dat bij het aanbrengen van de hersteldatum beschikbaar waren de overeenkomst tot vrijwillige inburgering, het cursuscontract van[klant 3] van 16 februari 2009 en het lesrooster voor het cursusjaar

2009-2010. Betrokkene heeft bij zijn reactie op het onderzoeksverslag ook het lesrooster 2008-2009 met de datum 2 februari 2009 ingezonden. Hij heeft gesteld dat ook dit lesrooster indertijd beschikbaar was en dat hij op grond van deze stukken heeft gemeend dat de ingangsdatum 1 februari 2009 was. Hij erkent dat hij een fout heeft gemaakt, maar ziet geen reden voor plichtsverzuim.

4.4.2.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is om de door betrokkene gemaakte fout als plichtsverzuim aan te merken. Voor de veronderstelling van appellant dat betrokkene de beslissing zou hebben genomen op basis van een telefonisch contact met[klant 3] geven de gedingstukken geen aanknopingspunt. Ongeacht of het lesrooster 2008-2009 bij betrokkene voorhanden was ten tijde van het aanbrengen van de hersteldatum had hij in het cursuscontract de juiste ingangsdatum van 2 maart 2009 kunnen zien. Dus had betrokkene kunnen en moeten weten dat de vergoeding niet op 1 februari 2009 kon ingaan. De Raad ziet evenwel in deze fout geen plichtsverzuim omdat enige aanwijzing ontbreekt voor een opzettelijke onrechtmatige bevoordeling van[klant 3]. Hierbij is in aanmerking genomen het oordeel van de Raad onder 4.3 en het ontbreken van enige aanwijzing voor de veronderstelling dat betrokkene reden had om[klant 3] te bevoordelen.

4.5.

Het hoger beroep van appellant met betrekking tot de plichtsverzuimen iv en v slaagt dus niet.

4.6.

Bij de beantwoording van de vraag of de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim gaat het evenals bij de aangevallen uitspraak om de plichtsverzuimen i, ii en iii.


4.6.1. De omstandigheid dat het Bureau Integriteit zich in haar advies heeft verenigd met het voornemen om betrokkene de straf van ontslag op te leggen heeft, anders dan appellant in hoger beroep bepleit, reeds geen betekenis, omdat het Bureau Integriteit nog uitging van ook de plichtsverzuimen bestaande uit de poging om[klant 1] voor zichzelf te laten klussen en om[klant 1] (deels) zwart te laten werken. Deze twee plichtsverzuimen heeft appellant bij besluit 2 laten vervallen.

4.6.2.

Een belangrijke reden voor appellant om het plichtsverzuim als zeer ernstig aan te merken is gelegen in de omstandigheid dat betrokkene ten tijde van de gedragingen i en ii vanuit zijn functie geen taak meer had voor[klant 1], omdat deze inmiddels een baan had. Er was dus geen enkel zakelijk belang bij zijn activiteiten ten behoeve van[klant 1]. De Raad volgt appellant hier niet in, omdat[klant 1] ten tijde van deze gedragingen nog geen arbeidsovereenkomst had met zijn beoogde werkgever maar nog slechts de daaraan voorafgaande fase van de stage bij die werkgever met een gesubsidieerde stagevergoeding was bereikt. Onweersproken heeft betrokkene naar voren gebracht dat de taak van consulent voor NUG-ers mede nazorg van enige maanden na hun uitstroom omvatte. Betrokkene had door de feitelijke situatie van de beoogde werkgever van V ook (gemotiveerde) twijfel over het daadwerkelijke, duurzame resultaat van een arbeidsovereenkomst. Enige voortzetting van bemoeienis met[klant 1] lag daarmee binnen het bereik van betrokkenes consulententaak.

4.6.3.

Appellant kwalificeert het plichtsverzuim van de bemiddelingspoging bij vrienden/bekenden ook als zeer ernstig omdat betrokkene het heeft herhaald bij klant H. De opvatting van appellant dat de gedraging bij klant H even zwaar weegt als de eerdere gedraging jegens[klant 1] wordt niet gedeeld. In wezen gaat het om een éénmalige fout, aangezien betrokkene de gemaakte fout jegens klant H heeft herhaald kort na de fout jegens V en zonder dat hij door zijn leidinggevende gewezen is op de onjuistheid van zijn handelen.

4.6.4.

Betrokkene gebruikte in zijn functie van klantmanager veelvuldig een wat onorthodoxe werkwijze. Zijn progressieve ideeën en de wijze waarop hij die heeft vertaald in resultaten zijn in een beoordeling van 2 december 2008 een uitdaging genoemd voor elk teamlid. Ook is hier als positief aspect genoemd het lef van betrokkene om bepaalde instrumenten in te zetten om zijn doel te bereiken; hij zoekt de grenzen op van wet- en regelgeving echter zonder deze te overschrijden. In de beoordeling over 1 juni 2009 tot 1 februari 2010 over zijn werkzaamheden als consulent voor NUG-ers wordt zijn werkwijze om buiten de gebaande paden te gaan, als positief aangemerkt. Ten behoeve van de NUG-ers was betrokkene ook in zijn vrije tijd bijvoorbeeld gericht op het ontdekken van mogelijke werkplekken voor zijn klanten. Bij beide beoordelingen scoorde betrokkene op kwaliteit en kwantiteit steeds ‘goed’ en op alle competenties ‘beheerst de competentie volledig’.

4.6.5.

De Raad heeft uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de overtuiging gekregen dat betrokkene met de gedragingen i, ii en iii geen ander belang heeft beoogd te dienen dan dat van de DWI en de desbetreffende klanten, zoals hij blijkens de beoordelingen over 2008 en 2009 ook steeds deed. Dat hij daarbij in dit geval, zonder zich dit te realiseren, te ver is doorgeschoten bij zijn streven om klanten aan werk te helpen en de grens van toelaatbare heeft overschreden, laat onverlet dat zijn goed bedoelde intentie in samenhang met de overige genoemde omstandigheden ertoe leidt dat er onevenredigheid bestaat tussen de in deze uitspraak aanvaarde plichtsverzuimen en de straf van ontslag. De straf van ontslag is ook niet in overeenstemming met de signalen van leidinggevenden van DWI aan de medewerkers. De directeur van DWI schreef in een weblog: ‘De moraal van dit verhaal is eigenlijk dat we moeten vertrouwen op onze professionaliteit, onze intuïtie, ons gevoel. Een beetje over de rand lopen. Je valt er maar zo niet af. Bij twijfel … voordeel klant.’ In een (door betrokkene ter zitting geciteerde) nieuwjaarstoespraak van een regiomanager is gezegd dat medewerkers fouten mogen maken. Betrokkene nam de door zijn leidinggevende geschetste uitdaging van het werken over niet gebaande paden aan; hij ging daarbij een keer te ver en maakte zo een (zeker niet kleine) fout. In de lijn van de boodschap van de leidinggevenden past dan niet onmiddellijk de zwaarste straf van ontslag.

4.6.6.

Omdat de rechtbank tot hetzelfde oordeel was gekomen slaagt ook in zoverre het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt met betrekking tot besluit 2 voor bevestiging in aanmerking.

De berisping - besluit


5.1. De beroepsgronden van betrokkene tegen besluit 3 zijn beperkt tot zijn opvatting dat de gedragingen i, ii en iii door de omstandigheden geen plichtsverzuim opleveren. Indien deze beroepsgrond niet slaagt, dan aanvaardt betrokkene de opgelegde straf van schriftelijke berisping.

5.2.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.1 slaagt het beroep van betrokkene tegen besluit 3 niet. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

6.

Er is aanleiding appellant te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand en

€ 12,60 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen besluit 3 ongegrond;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 986,60.


Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.N.A Bootsma en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

IvZ