Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
12-978 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering omdat appellant zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. In het geval van appellant kan niet worden gesteld dat sprake is van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf nu het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nederlandse overheid een poging heeft gedaan om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 47c
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/300

Uitspraak

12/978 WAO, 13/1885 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 januari 2012, 11/5341 en 11/5453 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Australië (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 19 juli 2013 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2013:1240).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 17 september 2013 een brief aan de Raad gezonden en daarbij meegedeeld geen aanleiding te zien het bestreden besluit te herzien.

Bij brief van 13 november 2013 heeft appellant zijn zienswijze naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 19 juli 2013 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hij volstaat hier met het volgende.

2.

Het geschil betreft het besluit van het Uwv van 12 april 2012 tot intrekking van de
WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2012 op de grond dat hij zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

3.

In de tussenuitspraak is overwogen, voor zover van belang, dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant zich heeft onttrokken en zich is blijven onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf. Het Uwv heeft onvoldoende onderzocht of door justitie inmiddels één of meer pogingen zijn ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen. Voorts is onvoldoende onderzocht welke rol de door appellant gestelde financiële onmogelijkheid om naar Nederland te reizen heeft, onder andere in het licht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol).

4.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 17 september 2013 een brief aan de Raad gezonden ter nadere onderbouwing van het besluit. In die brief wordt verwezen naar de Aanwijzing Executie van 13 december 2010 (Stc. 2010, 20473). Daaruit volgt dat wanneer een veroordeelde/bestrafte geen bekende woon- of verblijfplaats heeft in Nederland of een lidstaat van de EU of anderszins onvindbaar is, hij wordt opgenomen in het opsporingsregister. Dit kan niet bij taakstraffen, maar wel als sprake is van een bevel tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis. Als sprake is van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan 120 (openstaande) dagen van personen die niet ingeschreven staan in de gemeentelijke basisadministratie wordt de zaak overgedragen aan het Team Executie Strafvonnissen (TES) voor opname in het internationale opsporingsregister. Het TES kan een arrestatiebevel uitvaardigen. Het is dan aan het betreffende land om tot aanhouding over te gaan. Als een aanhouding plaats vindt, wordt na aankomst in Nederland de reguliere tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest hervat. De tenuitvoerlegging is volgens het Besluit aanvang tenuitvoerlegging straffen en maatregelen (Stb. 2005, 440) aangevangen op de datum van de dagtekening van de aan de veroordeelde gerichte oproep voor een eerste gesprek bij de reclassering als het een taakstraf betreft en op de datum van de registratie in het opsporingsregister als het een vrijheidsstraf betreft. Op grond van het Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië van 5 september 1985 (Trb. 1985, 137) wordt uitlevering alleen toegestaan indien een vrijheidsstraf is opgelegd en nog een tijdvak van ten minste zes maanden van vrijheidsbeneming moet worden ondergaan. Het Uwv concludeert dat in het geval van appellant de openstaande vrijheidsstraf minder dan 120 dagen en dus ook minder dan zes maanden is en dat wat betreft de tenuitvoerlegging volstaan wordt met het opnemen van appellant in het opsporingsregister. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is het besluit van 12 april 2012 te herzien.

5.

Appellant heeft in zijn zienswijze gesteld zich niet te kunnen verenigen met de aanvullende onderbouwing van het besluit van 12 april 2012. De openstaande vrijheidsstraf brengt geen verplichting voor de overheid tot het ondernemen van actie met zich, daarvoor is de opgelegde vrijheidsbeneming te gering. Appellant kan ook niet uitgeleverd worden. Dat had hij ook al vernomen toen hij zich ter uitlevering meldde op een Australisch politiebureau. Hij werd weggestuurd, omdat hij niet uitgeleverd kon worden, ook niet vrijwillig. Er kan om die reden niet gezegd worden dat appellant zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 43 van de WAO. De in 4.5 van de tussenuitspraak genoemde omstandigheden kunnen tot in lengte van jaren blijven bestaan en in het geval van appellant zijn de individuele gevolgen van de regeling niet (meer) evenredig met het doel van de regeling. Dat is in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol, aldus appellant.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Met ingang van 1 januari 2011 bepaalt artikel 43, zesde lid, van de WAO dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken, indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Artikel 47c, eerste lid, van de WAO bepaalt met ingang van 1 januari 2011 dat de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, zesde lid, is ingetrokken, vanaf de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel aanspraak heeft op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.

6.2.

In de tussenuitspraak is onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

9 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507) geoordeeld dat onder ‘zich onttrekken’, is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Het Uwv dient aannemelijk te maken dat sprake is van een zodanige situatie en mag daarbij in beginsel afgaan op informatie van het CJIB. Appellant heeft de informatie die het Uwv van het CJIB heeft ontvangen, niet bestreden doch heeft onder meer gesteld dat de Nederlandse overheid geen poging heeft gedaan om de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen.

6.3.

Ten aanzien van de vraag of het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zich vanaf 1 januari 2012 heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, wordt het volgende overwogen. Uit de informatie die het Uwv heeft verstrekt, zoals weergegeven in 4, blijkt dat de Nederlandse overheid met betrekking tot appellant geen handelingen heeft verricht of zal verrichten teneinde de vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen, anders dan dat appellant is opgenomen in het nationale opsporingsregister. Nu de vaste woon- of verblijfplaats van appellant aan het Uwv bekend is, staat niets eraan in de weg dat de Nederlandse overheid een poging onderneemt de straf ten uitvoer te leggen. Ingevolge artikel 72 van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (Wet SUWI) en artikel 5.7, aanhef en onder g, van het Besluit SUWI is het Uwv bevoegd - uit eigen beweging - en verplicht - op verzoek - uit zijn administratie aan de Minister van Veiligheid en Justitie de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. Er is dus een wettelijke grondslag voor het verstrekken door het Uwv van het adres van appellant aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Dat, gezien de beperkte duur van de vrijheidsstraf, een arrestatiebevel en uitlevering niet tot de mogelijkheden behoren, betekent niet dat appellant niet benaderd kan worden om tot tenuitvoerlegging te komen, zoals dat ook geschiedt in het kader van de zelfmeldprocedure. Deze procedure wordt gevolgd bij veroordeelden met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland of met een vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland, welk adres bij vertrek uit Nederland in de Gemeentelijke Basisadministratie is opgenomen of anderszins bij het CJIB bekend is (zie ECLI:NL:CRVB:2013:1240 r.o. 4.3).

6.4.

Geconcludeerd moet worden dat in het geval van appellant niet gesteld kan worden dat sprake is van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf nu het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nederlandse overheid een poging heeft gedaan om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen als hiervoor onder 6.2 bedoeld.

6.5.

Uit het hiervoor in 6.1 tot en met 6.4 gestelde vloeit voort dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De overige door appellant aangevoerde gronden behoeven derhalve thans geen bespreking.

7.1.

Hetgeen in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van
12 april 2012 dient gegrond te worden verklaard en dit besluit dient te worden vernietigd.

7.2.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.461,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 111,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,-.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) G.J. van Gendt

IvZ