Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
12-6680 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toename beperkingen. Weigering toekenning WAO-uitkering. De bva heeft voldoende gemotiveerd dat de brieven van Jesserun weliswaar duiden op een andere waardering van de psychische klachten van appellant, maar dat deze niet leiden tot een andere belastbaarheid dan de belastbaarheid die voortvloeit uit de FML van 18 januari 2006. Daarbij tekent de Raad nog aan dat uit het rapport van Franse blijkt dat bij de betrouwbaarheid van de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek vraagtekens kunnen worden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6680 WAO

Datum uitspraak: 25 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

13 november 2012, 12/3477 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Woerden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker. Hij heeft zich op 22 oktober 2002 ziek gemeld in verband met hoofdpijn en depressieve klachten. Met ingang van

18 oktober 2003 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 2 mei 2006 ingetrokken. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 augustus 2007 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.

1.2. Op 27 oktober 2011 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Onder verwijzing naar brieven van zijn behandelend psychiater R.W. Jesserun (Jesserun) van 24 juni 2009 en 8 december 2011 en een rapport van gezondheidspsycholoog/neuropsycholoog

J.M. Franse (Franse) van 27 oktober 2009 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn psychische klachten sinds april 2009 zijn toegenomen.

1.3. In het rapport van 27 oktober 2009 heeft Franse geconcludeerd dat het psychische toestandsbeeld van appellant van zeer grote invloed is op zijn cognitief presteren. De testresultaten uit het neuropsychologisch onderzoek geven een indicatie van het niveau van het huidig functioneren, maar kunnen niet worden gebruikt voor diagnostische doeleinden op neurologisch gebied. Er zijn aanwijzingen voor onderpresteren, waarschijnlijk op grond van ernstig psychisch lijden en er is sprake van een inadequaat copingpatroon. Bij de betrouwbaarheid van de testresultaten van het onderzoek kunnen volgens Franse kanttekeningen worden geplaatst.

1.4. In de brief van 8 december 2011 heeft Jesserun, mede gelet op de resultaten van het psychologisch onderzoek van Franse, te kennen gegeven dat er bij appellant sprake is van concentratiezwakte, chronische vermoeidheid, prikkelbaarheid, lusteloosheid en gebrek aan energie, waarbij appellant zijn hoofdpijn en lichaamspijnen steeds meer op de voorgrond plaatst. Volgens Jesserun is er sprake van een chronisch psychiatrische aandoening die gelet op het ziekteverhaal en de ziektegeschiedenis al langer bestaat en verslechterd zou zijn sinds ongeveer vijf jaar.

1.5. Op 16 januari 2012 heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant onderzocht en op grond van dat onderzoek bij rapport van 18 januari 2012 geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van de belemmeringen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. De belastbaarheid van appellant is niet anders dan eerder werd vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 januari 2006, die ten grondslag heeft gelegen aan het intrekkingsbesluit van 2 maart 2006. Op grond van deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 25 januari 2012 geweigerd appellant een uitkering op grond van de WAO toe te kennen.

1.6. Naar aanleiding van het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv appellant op 15 mei 2012 onderzocht. In zijn rapport van 23 mei 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er in de periode van vijf jaar sinds 3 mei 2006 geen perioden zijn aan te wijzen waarin sprake is geweest van meer beperkingen van de belastbaarheid van appellant dan zijn vastgesteld in de FML van

18 januari 2006. De in 2006 gestelde diagnose - dysthymie, dysforie en aanpassingsstoornis met depressieve stemming - is in essentie dezelfde gebleven. Met betrekking tot de stellingname van Jesserun dat er sinds ongeveer vijf jaar een verslechtering van de gezondheid van appellant zou hebben plaatsgevonden, heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat een verzekeringsarts op 6 maart 2008 in het kader van de Ziektewet heeft geconcludeerd dat appellant op die datum niet arbeidsongeschikt was. Voorts blijkt uit het rapport van Franse van 27 oktober 2009 dat nieuwe medicatie een gunstig effect heeft op het functioneren van appellant. Uit dit rapport blijkt voorts dat er bij het afnemen van de psychologische test sprake is geweest van onderpresteren van appellant, zodat de resultaten van deze test slechts indicatief zijn. Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven Jesserun wel te kunnen volgen in zijn algemene indruk dat appellant bij een gelijkblijvende medische grondslag in de loop der jaren toenemende klachten heeft ervaren. Deze hebben echter niet geleid tot een toename van de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, dat gekenmerkt wordt door een onveranderd, stationair patroon van passiviteit bij vermoeidheidsklachten en een depressieve grondstemming (dysthymie).

1.7. Gelet op de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Uwv terecht geweigerd heeft appellant een WAO-uitkering toe te kennen. De rechtbank heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts niet te volgen. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv een onvolledige, onzorgvuldige dan wel onjuiste uitleg aan het in 1.2 genoemde onderzoek van de neuropsycholoog zou hebben gegeven.

3.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv zijn medische beperkingen niet juist heeft vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de in 1.2 genoemde brieven van Jesserun en het rapport van Franse en voorts op een rapport van NOAGG van 26 juni 2007 en een in beroep overgelegde brief van Jesserun van 12 juli 2012.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische motivering berust. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in de in 1.2 tot met 1.4 vermelde brieven van Jesserun en het rapport van Franse geen aanknopingspunten zijn gelegen om tot een ander oordeel te komen. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende gemotiveerd dat de brieven van Jesserun weliswaar duiden op een andere waardering van de psychische klachten van appellant, maar dat deze niet leiden tot een andere belastbaarheid dan de belastbaarheid die voortvloeit uit de FML van 18 januari 2006. Daarbij tekent de Raad nog aan dat uit het rapport van Franse blijkt dat bij de betrouwbaarheid van de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek vraagtekens kunnen worden geplaatst. Voor zover appellant met zijn beroep op de brief van NOAGG van 26 juni 2007 heeft willen betogen dat hij meer psychische beperkingen heeft dan in de FML van

18 januari 2006 zijn aangenomen, kan dit betoog alleen al niet slagen, omdat de rechtbank in de in 1.1 genoemde uitspraak van 27 augustus 2007 heeft geoordeeld dat deze brief geen grond biedt om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 3 mei 2006. De brief van Jesserun van 12 juli 2012 bevat geen nieuwe gezichtspunten.

4.2.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet binnen vijf jaar na de intrekking van zijn WAO-uitkering toegenomen arbeidsongeschikt is geworden en om die reden niet op grond van artikel 43a, eerste lid, van de WAO voor een uitkering in aanmerking komt.

4.3.

Hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.4.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en H.C.P. Venema en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) S. Aaliouli

HD