Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
13-225 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling en ontslag. Het dagelijks bestuur heeft een overwegend aandeel gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding. Dit aandeel wordt geschat op 51 tot 65%. Dit betekent dat de ontslagvergoeding van appellant moet worden berekend door het aantal dienstjaren van appellant gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag, inclusief vakantietoeslag en eventuele andere toeslagen, en daarop de factor 0,5 toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/167

Uitspraak

13/225 AW, 13/226 AW

Datum uitspraak: 24 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

30 november 2012, 11/1626 en 12/775 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te[woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het waterschap Roer en Overmaas (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H.J. van Gerven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 12 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.M. Gersjes, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, advocaat, en mr. M.H.M.G. Leenders-Stassen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was hoofd van de afdeling Middelen van het waterschap Roer en Overmaas.

1.2. Op 18 november 2010 heeft de directie van het waterschap een gesprek met appellant gehouden waarin hem is medegedeeld dat hij niet de juiste man op de juiste plaats is en dat zijn capaciteiten bij een andere werkgever beter tot hun recht zouden kunnen komen. Ingaande 22 november 2010 heeft appellant zich ziek gemeld.

Op 21 december 2010 is een beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant in het jaar 2010. Op dezelfde dag heeft de directie een gesprek met appellant gevoerd waarin ook deze beoordeling aan de orde is gekomen.

Bij besluit van 11 februari 2011 is deze beoordeling vastgesteld. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2011 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur de beoordeling gehandhaafd.

1.3. Op 4 juli 2011 is een hoorzitting gehouden naar aanleiding van het door appellant tegen de beoordeling gemaakte bezwaar. Daar heeft appellant laten weten dat hij van het gesprek op 21 december 2010 een bandopname had gemaakt.

In verband hiermee heeft het dagelijks bestuur appellant bij brief van 12 juli 2011 zijn voornemen kenbaar gemaakt hem “op andere gronden” te ontslaan met toepassing van

artikel 8:1:8 van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW). Daarbij is meegedeeld dat de directie samenwerking met appellant niet meer als mogelijkheid ziet. Nadat appellant hierop zijn zienswijze had gegeven, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 28 september 2011 uitvoering gegeven aan genoemd voornemen, en wel ingaande

1 oktober 2011. Het dagelijks bestuur heeft hierbij een financiële regeling getroffen waarbij appellant aanspraak is gegeven op (een uitkering ter hoogte van) een werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in hoofdstuk 9.2 van de SAW. Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 2012 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het ontslagbesluit van 28 september 2011 gehandhaafd.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, dit laatste op de grond dat appellant geen belang meer heeft inzake de beoordeling van zijn functioneren in het jaar 2010.

3.

De Raad overweegt als volgt.

De beoordeling over 2010

3.1.

Ter zitting is namens het dagelijks bestuur verklaard dat deze beoordeling zal worden herroepen waarna deze niet meer bestaat. Appellant heeft hierin aanleiding gezien zijn hoger beroep voor dit deel in te trekken.

Het ontslag

3.2.1.

Blijkens de aangevallen uitspraak heeft appellant berust in zijn ontslag als zodanig. Appellant heeft deze vaststelling in hoger beroep niet (tijdig) aangevochten. Daarom staat ook in hoger beroep niet meer ter beoordeling of het dagelijks bestuur bevoegd was appellant te ontslaan.

3.2.2.

Ter beoordeling staat uitsluitend nog of het dagelijks bestuur als financiële regeling bij het gebruikmaken van deze ontslagbevoegdheid heeft kunnen volstaan met het geven van de (minimum)garantie als onder 1.3 vermeld.

3.2.3.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044, heeft overwogen is voor toekenning van een vergoeding, naast genoemde garantie, in het algemeen slechts aanleiding als is voldaan aan de voorwaarde die in de rechtspraak steeds is gesteld: er moet sprake zijn van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan in het ontstaan en voortbestaan van de verstoring van de arbeidsrelatie (de drempel). Voor de berekening van de hoogte van die vergoeding is vervolgens de mate van het overwegend aandeel van het bestuursorgaan van belang. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt naar drie bandbreedten: 51 tot 65 %, 65 tot 80% en 80 tot 100%, corresponderend met de factor van 0,5, 0,75 en 1. Het is verder redelijk, gelet op de belangen die door de ontslagverlening worden geschaad, bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding rekening te houden met de hoogte van het maandsalaris en ook met de duur van het dienstverband. Gelet op de voor ambtenaren geldende bovenwettelijke voorzieningen, waaronder de aansluitende uitkering, bestaat aanleiding daarop een matiging aan te brengen van 50%. Dit alles leidt tot de volgende uitgangspunten en berekeningsmethode: bruto maandsalaris (inclusief vakantietoeslag) x (aantal dienstjaren: 2) x 0,5, 0,75 of 1 van het aandeel.

3.2.4.

Naar de mening van het dagelijks bestuur ligt de kiem van het arbeidsconflict in het gebrek aan vertrouwen dat appellant al eind 2010 uitsprak in de secretaris-directeur. Appellant wilde aanvankelijk ook niet meewerken aan een assessment en een verbetertraject voordat een beslissing was genomen op zijn bezwaar tegen zijn beoordeling. Het heimelijk opnemen van het gesprek op 21 december 2010 heeft het dagelijks bestuur in navolging van de directie zeer hoog opgenomen. Dit heeft zonder meer de doorslag gegeven bij het besluit appellant te ontslaan.

3.2.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij volstrekt is overvallen door de zware kritiek die in het gesprek op 18 november 2010 op zijn functioneren werd uitgeoefend. Volgens het dagelijks bestuur was appellant al eerder van die kritiek op de hoogte gesteld, en wel in de in 2010 geregeld gehouden voortgangsgesprekken. Appellant betwist niet dat er gesprekken zijn gehouden maar stelt dat die de algehele gang van zaken binnen zijn afdeling betroffen en dat van misnoegen over zijn functioneren daarin nooit is gebleken.

3.2.6.

De Raad stelt vast dat van bedoelde gesprekken geen verslagen zijn opgesteld zodat ongewis is wat daarin ter sprake is gekomen. Aannemelijk is in elk geval dat eventuele eerdere kritiek niet bij appellant is overgekomen en dat de mededelingen in het gesprek op

18 november 2010 hem rauw op het lijf zijn gevallen. Verder is niet vooraf aangekondigd dat het gesprek op 21 december 2010 (mede) over de beoordeling van appellant over 2010 zou gaan. Ook heeft appellant in strijd met de desbetreffende regeling de concept-beoordeling niet tevoren ontvangen. Juist omdat de beoordeling ongunstig was, was temeer van belang dat appellant zich goed op het beoordelingsgesprek had kunnen voorbereiden, hetgeen nu niet het geval is geweest. Gelet op een en ander is de Raad van oordeel dat het dagelijks bestuur de aanzet heeft gegeven tot het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhoudingen/ vertrouwensbreuk.

3.2.7.

Niet ten onrechte heeft het dagelijks bestuur appellant ernstig kwalijk genomen dat hij van het gesprek op 21 december 2010 een geluidsopname heeft gemaakt zonder daarvoor toestemming te vragen. Hoewel, gezien zijn ervaringen in het gesprek op 18 november 2010, wellicht enig begrip kan bestaan voor de wens van appellant die opname te maken, valt niet in te zien dat hij daarvoor geen toestemming had behoeven te vragen. Voor de stelling van het dagelijks bestuur dat appellant zich ook eerder al onheus heeft opgesteld tegenover de directie heeft de Raad, bezien tegen de achtergrond van de ervaringen van appellant met de directie, in de gedingstukken evenwel geen overtuigende aanwijzingen aangetroffen.

3.2.8.

Gezien enerzijds het onder 3.2.6 overwogene en anderzijds het onder 3.2.7 overwogene komt de Raad tot de slotsom dat het dagelijks bestuur een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding. Dit aandeel wordt geschat op 51 tot 65%. Dit betekent dat de ontslagvergoeding van appellant moet worden berekend door het aantal dienstjaren van appellant gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag, inclusief vakantietoeslag en eventuele andere toeslagen, en daarop de factor 0,5 toe te passen.

3.2.9.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover aangevochten.

4.

Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.948,- in bezwaar,

€ 1.948,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- vernietigt het besluit van 13 maart 2012 voor zover daarbij aan appellant geen

ontslagvergoeding is toegekend;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur appellant een vergoeding betaalt berekend volgens

rechtsoverweging 3.2.8;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van

13 maart 2012;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 388,- vergoedt;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.870,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.Th. Wolleswinkel en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD