Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
12-6277 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor de ‘Taxi Plus’. Appellante wordt in staat geacht om gebruik te maken van het openbaar vervoer. De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college zich heeft kunnen baseren op het rapport van Trompetter & Van Eeden, welk rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit het rapport leidt de Raad af dat de informatie van de GGD te Groningen is betrokken bij de beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6277 WMO

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

19 oktober 2012, 12/721 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014. Voor appellante is

mr. Bakker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D.H. Meijer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1949, ondervindt beperkingen ten gevolge van een functiestoornis van het hart, een chronische longaandoening met langzaam progressief verloop en een chronisch pijnsyndroom. In verband met haar beperkingen heeft appellante op 17 juli 2010 bij het college een aanvraag ingediend voor onder meer een voorziening voor collectief vervoer, in de vorm van ‘Taxi Plus’, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.2.

Mede naar aanleiding van deze aanvraag is op 6 augustus 2010 een sociaal medisch adviesrapport opgemaakt door A.G. Kolkman, senior indicatieadviseur, en E.J. Vermaak, arts, van Trompetter & Van Eeden. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het college de aanvraag voor de ‘Taxi Plus’ afgewezen op de grond dat appellante in staat wordt geacht om gebruik te maken van het openbaar vervoer.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Zij heeft naar voren gebracht dat het rapport van arts-adviseur B. van de Bleij van GGD Groningen van 21 april 2010 ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling. Bij besluit van 24 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of terecht is geoordeeld dat appellante in staat is om ondanks haar beperkingen te reizen met het openbaar vervoer.

4.2.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. In hetgeen in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - door appellante is aangevoerd noch anderszins zijn in de voorhanden gegevens aanknopingspunten gevonden om in een andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.3.

De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college zich heeft kunnen baseren op het voornoemde rapport van Trompetter & Van Eeden, welk rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit het rapport leidt de Raad af dat de informatie van de GGD te Groningen is betrokken bij de beoordeling. Van de zijde van appellante zijn ook in hoger beroep geen (medische) gegevens overgelegd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat zij niet in staat is te reizen met het openbaar vervoer.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

IvZ