Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2509

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
12-4423 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum ontheffing van de verzekering AOW, Anw en AKW. Geen terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4423 AOW

Datum uitspraak: 11 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

5 juli 2012, 12/167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. van Eck. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen.

Het onderzoek is heropend na de zitting en de Raad heeft de Svb vragen gesteld.

Partijen hebben stukken overgelegd en nadere standpunten ingenomen.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 17 januari 1949, heeft de Belgische nationaliteit en woont sinds 1970 in Nederland. Van 1974 tot en met februari 2009 heeft appellant als grensarbeider gewerkt in België. Met ingang van 1 maart 2009 ontvangt appellant een rustpensioen van de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen. Op 31 maart 2011 heeft appellant ontheffing van de verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd. De ontheffing van de verzekering op grond van deze wetten is bij besluit van 14 april 2011 verleend met ingang van 31 maart 2011. Appellant heeft de Svb kort voordat hij 65 jaar werd, te kennen gegeven niet in aanmerking te willen komen voor een AOW pensioen.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 april 2011 inhoudende dat de ontheffing op 1 maart 2009 dient in te gaan, is bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat er geen reden is om af te wijken van de hoofdregel van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (KB 746) op grond waarvan de ingangsdatum van de ontheffing wordt bepaald door de datum van de aanvraag van de ontheffing, indien deze aanvraag niet binnen de termijn van een jaar, als bedoeld in de eerste volzin van dit artikellid, is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard zoals in het derde lid van artikel 22 KB 746 bedoeld. Niet juist is, volgens de rechtbank, dat er in de situatie van appellant niets veranderde toen hij met pensioen ging.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep niet betwist dat hij de aanvraag op 31 januari 2011 heeft ingediend maar heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan de ontheffing met terugwerkende kracht vanaf

1 maart 2009 moet worden verleend. Appellant stelt dat hij niet verplicht kan zijn zowel in België als in Nederland premie te betalen. Voorts stelt appellant dat de Svb heeft verzuimd hem te informeren dat hij anders dan vóór zijn pensionering, ontheffing diende aan te vragen teneinde niet verzekerd te zijn voor de AOW, Anw en AKW.

3.2.

De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat vanaf de pensionering alleen de Nederlandse wetgeving van toepassing is, omdat appellant zijn werkzaamheden in België definitief heeft beëindigd en in Nederland woont. Er is geen aanleiding de ontheffing met terugwerkende kracht te verlenen. Volgens de Svb is geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat naar vaste jurisprudentie

- zie ECLI:NL:CRVB:2005:AU7312 - in het algemeen ervan mag worden uitgegaan dat een persoon die een verzoek om vrijstelling als hier aan de orde indient, als verplicht verzekerd ingevolge de volksverzekeringen moet worden aangemerkt. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die het omtrent vrijstelling beslissende orgaan, en ook de rechter, nopen om in verband met het verzoek en de daarop te geven beslissing de positie van de betrokkene in relatie tot de regelingen betreffende de verplichte verzekering in ogenschouw te nemen. Tot die omstandigheden valt onder meer te rekenen het geval dat die positie in verband met de mogelijke toepasselijkheid van supra- of internationale regelingen inzake sociale zekerheid niet zonder meer duidelijk is. Een dergelijke situatie doet zich hier voor.

4.2.

In de eerste plaats is van belang of appellant vanaf maart 2009 naar nationaal recht verzekerd is voor de volksverzekeringen. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW, artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is verzekerd ingevolge deze wetten degene die ingezetene is. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ingezetene van Nederland was. Naar nationaal recht moet appellant als verzekerde worden aangemerkt. De vraag rijst of het Nederlandse recht op hem van toepassing kan worden geacht. Met betrekking tot het internationale recht wordt het volgende overwogen. Op appellant was ten tijde van zijn werkzaamheden in België op grond van artikel 13, tweede lid, onder a van Verordening nr. 1408/71 (Vo 1408/71) de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing. Om die reden was hij voor maart 2009 niet gehouden premie ingevolge de volksverzekeringen te betalen.

4.3.

Na het beëindigen van zijn werkzaamheden in België is op appellant de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing geworden. Appellant is door het beëindigen van zijn werkzaamheden in het kader van zijn pensionering teruggevallen op de wetgeving van zijn woonland, Nederland. Dit volgt uit artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71, op grond waarvan op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat, zonder dat hij wordt onderworpen aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat, de wettelijke regeling van toepassing is van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de wettelijke bepalingen van deze lidstaat alleen. Voorwaarde daarvoor is dat appellant opgehouden is onderworpen te zijn aan de wetgeving van België. Uit door de Svb bij de Belgische organen ingewonnen informatie blijkt niet dat appellant nog onderworpen is aan de wettelijke regeling van België. Appellant is na het beëindigen van zijn werkzaamheden niet langer sociaal verzekerd geweest in het Belgische stelsel voor werknemers in loondienst. Gesteld noch gebleken is dat appellant op andere wijze in België verzekerd is geweest, bijvoorbeeld als zelfstandige.

4.4.

Weliswaar is appellant voor ziektekosten aangemeld bij de [naam verzekering] doch de Raad begrijpt uit de door de Svb met de Belgische organen gevoerde correspondentie dat deze melding is gedaan in het kader van de toepassing van artikel 28 e.v. van Vo 1408/71. Onder andere in het arrest Van Delft heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) overwogen dat de artikelen 28 en 28 bis van Vo 1408/71 een “conflictregel” bevatten om in het geval van een rechthebbende op pensioen of rente die in een andere lidstaat woont dan de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, te kunnen uitmaken welk orgaan de in dat artikel bedoelde prestaties moet verlenen en welke wetgeving toepasselijk is. Overeenkomstig artikel 28 van Vo 1408/71 heeft de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, die woont in een andere lidstaat, waar hij geen recht op verstrekkingen bij ziekte heeft, voor rekening en ten laste van de staat die dat pensioen of die rente verschuldigd is recht op verlening van die verstrekkingen door het bevoegde orgaan van de woonstaat, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is recht op die verstrekkingen zou hebben gehad indien hij op het grondgebied van die lidstaat woonde. Artikel 28 bis van Vo 1408/71 voorziet in een in wezen vergelijkbare regel wanneer een recht op verstrekkingen bij ziekte bestaat in de woonstaat, die dat recht op verstrekkingen niet afhankelijk stelt van voorwaarden inzake verzekering of arbeid, teneinde lidstaten waarvan de wetgeving recht op verstrekkingen enkel op grond van ingezetenschap verleent, niet te benadelen
(Hof 14 oktober 2010, C-345/09, Van Delft e.a., r.o. 30 e.v.,). Er zijn dus geen aanknopingspunten om te concluderen dat appellant op grond van het Belgische recht nog onderworpen is aan de wettelijke regeling van België.

4.5.

Geconcludeerd kan worden dat op appellant met ingang van maart 2009 ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is en dat hij als ingezetene van rechtswege verzekerd is ingevolge de AOW, Anw en AKW. Tussen partijen is vervolgens in geschil of de ontheffing dient te worden verleend met ingang van maart 2009. In het bijzonder is in geschil of de toepassing van artikel 22, tweede lid, van KB 746 ertoe leidt dat sprake is van onbillijkheden van overwegende aard.

4.6.

Appellant heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij met ingang van maart 2009 ontheffing van de verzekering ingevolge de AOW, Anw en AKW dient te genieten, verwezen naar het arrest van 21 februari 1991 van het Hof (C-140/88, Noij). In dit arrest heeft het Hof beslist dat de regels van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder die vervat in de titels II en III van verordening ( EEG ) nr. 1408/71 Vo, niet eraan in de weg staan, dat iemand die, na als werknemer te hebben gewerkt op het grondgebied van een lidstaat, uit dien hoofde een rustpensioen geniet en die zich in een andere lidstaat vestigt alwaar hij geen werkzaamheden verricht, aan de wetgeving van laatstgenoemde staat wordt onderworpen. Die regels staan er, aldus het Hof, echter wel aan in de weg, dat van de belanghebbende in die staat wegens het enkele feit dat hij aldaar woonachtig is, premies worden verlangd voor de verplichte verzekering ter dekking van de kosten van prestaties die ten laste van een orgaan van een andere lidstaat komen.

4.7.

Een beroep op dit arrest kan appellant niet baten reeds omdat aan dit laatste vereiste in het geval van appellant niet is voldaan. Weliswaar brengt de verzekering voor de AOW en Anw mee dat appellant gehouden is premies te betalen. Deze premies worden echter niet geheven ter dekking van kosten die ten laste van een orgaan van een andere lidstaat komen. De verzekering voor de AOW heeft immers tot gevolg dat appellant vanaf zijn 65-ste verjaardag in aanmerking komt voor een (hoger) ouderdomspensioen. De verzekeringen ingevolge Anw en AKW hebben tot gevolg dat appellant onder de dekking valt voor de in deze wetten verzekerde risico's. Voorts kent de nationale regeling de mogelijkheid van een ontheffing van de verzekering mits deze tijdig is aangevraagd.

4.8.

Aan het voorgaande doet niet af dat appellant de Svb heeft gemeld af te zien van uitbetaling van het AOW-pensioen. Het afzien van het te gelde maken van zijn aanspraken berust op een keuze van appellant. Niet is komen vast te staan dat appellant als gevolg van Unierechtelijke of nationaalrechtelijke regels zal worden benadeeld indien het AOW-pensioen tot uitbetaling zou komen.

4.9.

De verlening van de ontheffing met ingang van 31 maart 2011, de datum waarop appellant de ontheffing heeft aangevraagd, leidt er in dit geval niet toe dat sprake is van onbillijkheden van overwegende aard. De late aanvraag van de ontheffing is het gevolg van onbekendheid van appellant met de regelgeving op grond waarvan hij vanaf zijn pensionering als ingezetene van Nederland verzekerd is voor de AOW, Anw en AKW. Appellant heeft herhaaldelijk verklaard dat hij in de veronderstelling was dat er met zijn pensionering niets zou veranderen in de situatie van de premieheffing. In zijn bezwaarschrift heeft appellant verklaard dat hij meende dat de "ontheffing" na maart 2009 zou doorlopen. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat de ontheffing niet met terugwerkende kracht wordt verleend indien het niet eerder aanvragen het gevolg is van onbekendheid of niet volledige bekendheid met de regelgeving. De Raad wijst op zijn uitspraken van 2 december 2005 ECLI:NL:CRVB:2005:AU7312, 4 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9026 en
17 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8144.

4.10.

De stelling van appellant dat de vertraging bij de aanvraag moet worden toegeschreven aan onjuiste of onvolledige informatie van de Svb dient te worden verworpen. Appellant heeft erop gewezen dat hij begin 2009 het Belgische rustpensioen via de Svb heeft aangevraagd. Appellant heeft daarbij echter niet verzocht om informatie over de ontheffing van de verzekering voor de AOW, Anw en AKW, dan wel over de premieheffing. De Svb kan niet gehouden worden geacht naar aanleiding van de - aan het buitenlandse orgaan door te

leiden - aanvraag om een buitenlands pensioen in te gaan op de mogelijkheid dat appellant van rechtswege verzekerd is ingevolge de Nederlandse wetgeving en op de eventuele wenselijkheid van een ontheffing daarvan in het bijzondere geval van appellant.

4.11.

Anders dan appellant heeft betoogd, brengt de omstandigheid dat appellant als niet verzekerd voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) is aangemerkt niet mee dat appellant heeft mogen aannemen dat hij niet verzekerd is voor de AOW, Anw en AKW. De Svb heeft er in dit verband terecht op gewezen dat voor het vaststellen van de verzekering ingevolge deze wetten andere criteria gelden dan ingevolge de AWBZ.

4.12.

Appellant heeft voorts betoogd dat uit de praktijk blijkt dat de Svb ontheffingen soms met terugwerkende kracht van meer dan drie jaar verleent. In het midden latend of deze stelling voor juist moet worden gehouden, kan dit betoog appellant niet baten nu bij gebreke van concrete informatie niet duidelijk is of sprake is van gelijke gevallen.

4.13.

Appellant heeft gewezen op de lange duur van de bezwaarprocedure. De Raad constateert dat de termijn voor het nemen van het besluit op bezwaar is overschreden met ruim vier maanden. De stelling van appellant dat dit gevolgen moet hebben voor de ingangsdatum van de ontheffing, moet worden verworpen. De termijnoverschrijding is niet van invloed op de beslissing om de ontheffing van de verzekering al dan niet met terugwerkende kracht te verlenen. Appellant heeft aangegeven dat hij geen schadevergoeding vordert in verband met de duur van de procedure.

5.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en R.E. Bakker en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) Z. Karekezi

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

QH