Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
12-3597 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellant was ten tijde van de intrekking van de uitkering ingevolge de WWB op 8 september 2011 geen vreemdeling in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem, zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3597 WWB

Datum uitspraak: 16 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 juni 2012, 11/5792 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. C.J. Forder, kantoorgenoot van mr. Klaas en [naam tolk], tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen mr. J.C. Smit en mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op 16 juni 1964, heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij verblijft sinds geruime tijd in Nederland. Appellant is HIV-geïnfecteerd en heeft een chronische nierinsufficiëntie. Hij krijgt antiretrovirale therapie in het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam. Met ingang van 28 mei 2008 tot 28 mei 2009 heeft appellant beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel ‘medische behandeling’ dan wel ‘medische noodsituatie’.

1.2.

Met ingang van 31 januari 2012 is aan appellant op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tot en met 31 januari 2013 uitstel van vertrek verleend om medische redenen. Gedurende deze periode heeft appellant rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en sub j, van de Vw. Met ingang van 31 januari 2013 is aan appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tot 31 januari 2014 verleend onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ verleend.

1.3.

Appellant heeft vanaf 27 augustus 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Het college heeft de uitkering ingevolge de WWB met ingang van

14 januari 2011 bij besluit van 7 september 2011 ingetrokken omdat appellant vanaf die datum niet langer beschikt over een verblijfstitel. Bij besluit van 28 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college de ingangsdatum van de intrekking gewijzigd. De bijstand is met ingang van 8 september 2011 ingetrokken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In de korte periode dat appellant geen rechtmatig verblijf had in Nederland heeft het college hem ten onrechte geen bijstand verleend. Appellant behoort tot de groep van zeer kwetsbare personen die in het bijzonder recht hebben op de bescherming van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De besluitvorming van het college heeft ertoe geleid dat appellant dakloos is geworden en daarna in de noodopvang is gekomen, wat in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat appellant ten tijde van de intrekking van de uitkering ingevolge de WWB op 8 september 2011 geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem, zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kan, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, dit niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. De vraag of appellant is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, kan en zal hier daarom in het kader van de WWB in het midden worden gelaten.

4.3.

Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) E. Heemsbergen

RK