Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
12-1936 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wia-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1936 WIA

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 maart 2012, 11/5054 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014. Namens appellant is

mr. Van der Veldt verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant heeft zich op 6 juli 2009 vanwege psychische klachten ziek gemeld vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving.

2.

Bij besluit van 29 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 4 juli 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 september 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft uit het door de psycholoog en psychiater van I-psy beschreven ziekteverloop niet afgeleid dat appellant op 4 juli 2011 ten gevolge van zijn psychische klachten geen duurzaam benutbare mogelijkheden had of op die datum meer beperkt moet worden geacht dan door de (bezwaar)verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is neergelegd. Hoewel de huisarts van appellant in de verklaring van 2 augustus 2011 heeft vermeld dat hij de afgelopen twee jaar weinig verbetering in de klachten van appellant heeft gezien, hebben de psycholoog en de psychiater van I-psy in het rapport van 28 juni 2011 en de brief van 1 juli 2011 gemotiveerd te kennen gegeven dat de behandeling van appellant tot verbetering heeft geleid. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij op 4 juli 2011 geen duurzaam benutbare mogelijkheden had of dat hij op die datum meer beperkt moet worden geacht dan door het Uwv is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgronden herhaald. Appellant heeft benadrukt dat de bevindingen van de behandelaars niet zijn betwist. Volgens appellant staat de ernst van zijn psychische problematiek in de weg aan het aannemen van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellant acht zich gelet op zijn psychische gesteldheid niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. Appellant heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen.

4.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat in hoger beroep geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen die aanleiding geven voor bijstelling van de al aangegeven arbeidsbeperkingen.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.1.

De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen, worden onderschreven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen al in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep ter ondersteuning van zijn standpunt een medisch stuk ingebracht, dat een ander licht werpt op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling per
4 juli 2011. Uit het vorenstaande volgt dat geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige, zoals ter zitting van de Raad nogmaals is verzocht namens appellant.

5.2.2.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat hij de conclusie van de verzekeringsarts in het rapport van 8 april 2011 dat appellant ‘is aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat’ zo begrijpt, dat appellant geen contact met een leidinggevende kan hebben, wat inhoudt dat appellant ongeschikt is voor elke functie in loondienst. Deze interpretatie van het begrip ‘leidinggevende aspecten’ wordt niet gevolgd. Uit de bewoordingen van dit onderdeel van de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) volgt immers dat het gaat om leiding geven door een betrokkene, en niet om het onder leiding werken. Daarvoor is in het rapport van 8 april 2011 ook geen enkele steun te vinden.

5.3.

Evenmin is er aanleiding om over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. In een Arbeidsdeskundig rapport van 28 april 2011, aangevuld op 26 mei 2011 is door het Uwv de theoretische verdiencapaciteit van appellant berekend aan de hand van de functies snackbereider (SBC-code 111071), schoonmaker gebouwen (SBC-code 111334) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). Met genoemd rapport is inzichtelijk en verifieerbaar onderbouwd dat de geduide functies voor appellant in medisch opzicht passend zijn te achten.

5.4.1.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn in hoger beroep betrokken standpunt dat hij de functies van snackbereider en medewerker tuinbouw niet kan verrichten in verband met de belasting op het punt van samenwerking. In deze functies is weliswaar sprake van samenwerking, maar met een eigen afgebakende deeltijd. Appellant is voor deze vorm van samenwerken geschikt geacht, zoals blijkt uit de kritische FML van 8 april 2011.

5.4.2.

Ook heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat de functies snackbereider en medewerker tuinbouw voor hem niet geschikt zijn omdat conflicten met collega’s en leidinggevenden wel degelijk zijn te verwachten vanwege zijn psychische problematiek en hij zich nauwelijks kan concentreren. Met het in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapport van 16 mei 2012 heeft het Uwv inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd waarom de betreffende functies ook wat betreft de belasting op deze punten geschikt zijn voor appellant.

5.5.

Uit 5.2.1 tot en met 5.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van
S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
23 juli 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.K. Dekker

IvZ