Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2501

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-328 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning meerjarige aanvullende uitkering op het budget WWB-inkomensdeel (MAU-uitkering), waarbij rekening is gehouden met een eigen bijdrage van 5%. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tekort niet mede het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. De minister heeft de eigen bijdrage terecht bepaald op 5%.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 69
Wet werk en bijstand 73
Wet werk en bijstand 74
Besluit WWB
Besluit WWB 4
Besluit WWB 9
Besluit WWB 10
Besluit Participatiewet
Besluit Participatiewet 10a
Besluit Participatiewet 10c
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ 15a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/292 met annotatie van Red.
RSV 2014/207

Uitspraak

13/328 WWB

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 december 2012, 10/1666 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen te Sittard (appellant)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. X.P.C. Wynands, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend, gevolgd door een zienswijze van de minister.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 maart 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.M. Heesen, bijgestaan door mr. Wynands. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en R. Schuurmans.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 30 maart 2009 bij de in artikel 73 van de Wet werk en bijstand (WWB) bedoelde toetsingscommissie (toetsingscommissie) een verzoek ingediend om over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 in aanmerking te komen voor een meerjarige aanvullende uitkering op het budget WWB-inkomensdeel, als bedoeld in artikel 74 van de WWB (MAU-uitkering).

1.2.

De toetsingscommissie heeft vastgesteld dat het verzoek voldoet aan de vereisten van artikel 15a van de Regeling WWB en artikel 10a van het Besluit WWB 2007 (Besluit), zoals deze bepalingen destijds luidden. De toetsingscommissie heeft met toepassing van artikel 10b, eerste lid, van het Besluit de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke oorzaken van de overstijging van de nettolasten van de gemeente in de voorgaande drie jaren boven het budget WWB-inkomensdeel (tekort) en de maatregelen die appellant treft of heeft getroffen om dat tekort in de toekomst te voorkomen.

1.3.

IWI heeft bij haar onderzoek aansluiting gezocht bij een oriënterend onderzoek van Aarts de Jong Wilms Goudriaan Public Economics BV (APE). De bevindingen van dat oriënterend onderzoek zijn neergelegd in een eindrapport van mei 2009 en zijn weergegeven in het definitieve rapport van IWI van augustus 2009. APE komt daarin tot de conclusie dat het tekort op het inkomensdeel van Sittard-Geleen voor een deel wordt veroorzaakt door een verdeelstoornis en voor een deel door de uitvoering van het gemeentelijk beleid. Het ongecorrigeerde gemiddelde herverdeeleffect voor de gemeente Sittard-Geleen bedraagt volgens APE naar schatting 14,7%. Daarvan is 4,1% toe te schrijven aan aantoonbare verdeelstoornissen. Na correctie bedraagt het herverdeeleffect voor Sittard-Geleen gemiddeld 10,6%.

1.4.

Op 10 juni 2009 heeft bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen appellant en IWI. Tijdens dat overleg zijn het eindrapport van APE en het daarop gebaseerde conceptrapport van IWI besproken. Omdat het tekort op het inkomensdeel volgens APE mede wordt veroorzaakt door het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, heeft IWI appellant verzocht binnen vier weken een verbeterplan in te dienen.

1.5.

Appellant heeft naar aanleiding van het bestuurlijk overleg een verbeterplan opgesteld.

1.6.

IWI heeft het verbeterplan beoordeeld en de resultaten hiervan, alsmede de aanvullende opmerkingen van appellant, opgenomen in het definitieve rapport van augustus 2009. Het IWI komt in haar advies tot de conclusie dat - uitgedrukt in percentages van de uitgaven - het gemeentelijk beleid en de uitvoering van de gemeente Sittard-Geleen naar schatting 10,6% minder effectief is dan gemiddeld in vergelijkbare gemeenten.

1.7.

De toetsingscommissie heeft vervolgens op 5 november 2009 geadviseerd de gemeente Sittard-Geleen onder voorwaarden een MAU-uitkering toe te kennen en bij de vaststelling van de hoogte van die uitkering over de jaren 2009 tot en met 2011 uit te gaan van een correctiefactor B (eigen bijdrage) van 5% van het gemiddeld toegekende budget over de jaren 2006-2008, te weten een bedrag van € 1.457.397,-. Dit is gebaseerd op de overweging dat het meerjarig tekort het gevolg is van verdeelstoornissen en gemeentelijke uitvoering.

1.8.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het college bij besluit van 4 december 2009, overeenkomstig het advies van de toetsingscommissie, een

MAU-uitkering toegekend tot een bedrag van € 2.497.588,- over 2009, van € 2.081.323,- over 2010 en van € 1.665.058,- over 2011. Daarbij is rekening gehouden met een eigen bijdrage van 5%.

1.9.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en een beroep gedaan op nader verricht onderzoek door APE. Daaruit komt naar voren dat van het gemiddelde herverdeeleffect van 14,7% een percentage van 7,9 veroorzaakt wordt door verdeelstoornissen en een percentage van 6,8 door gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan. Daarom heeft appellant verzocht de eigen bijdrage te bepalen op 2,5%.

1.10.

De minister heeft het bezwaar bij besluit van 9 september 2010 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de systematiek van de MAU-uitkering niet deugt. Bij veel gemeenten is het tekort voor een groot deel onverklaarbaar. Dit onverklaarbare tekort, in het geval van appellant 10,6%, wordt op basis van een ongefundeerde aanname toegeschreven aan het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan. Het bestreden besluit is daarom volgens appellant onzorgvuldig voorbereid. Het door appellant ingediende verbeterplan mag aan die toeschrijving niet ten grondslag worden gelegd. Net als in het geval van de gemeenten Heerlen, Enschede en Groningen, had de minister moeten concluderen dat het tekort, voor zover niet toe te rekenen aan een verdeelstoornis, onverklaarbaar is en had de eigen bijdrage moeten worden vastgesteld op 2,5%.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Algemeen kader

4.1.1. Jaarlijks ontvangen gemeenten van het Rijk een uitkering voor de kosten van door hen toegekende algemene bijstand op grond van de WWB, het zogeheten WWB-inkomensdeel. De wijze waarop de verdeling van het landelijk beschikbare bedrag plaatsvindt onder alle gemeenten is geregeld in de artikelen 69 van de WWB en 4 en volgende van het Besluit. Daarbij is uitgangspunt het objectief verdeelmodel, waarbij de budgettoekenning aan individuele gemeenten plaatsvindt op basis van een set objectieve, niet of slechts in beperkte mate door gemeenten te beïnvloeden kenmerken. Ten tijde hier van belang bevatte het verdeelmodel 13 maatstaven, waaronder bijvoorbeeld omvang en samenstelling van de bevolking, die 96% van de verschillen in bijstanduitgaven tussen gemeenten verklaren. Destijds was van nog 12 andere objectieve factoren aangetoond dat zij een bijdrage leveren aan de verklaring van de herverdeeleffecten, waarvan bij negen een lineair verband was aangetoond.

4.1.2. In artikel 74 van de WWB is bepaald dat de minister op verzoek van een college een incidentele of meerjarige aanvullende uitkering kan verlenen indien de uitkering op grond van artikel 69 van de WWB onvoldoende dekking biedt voor de lasten van het toekennen van bijstandsuitkeringen. In het Besluit is dit in artikelen 9 en volgende nader uitgewerkt. Een incidentele uitkering kan worden toegekend indien een gemeente meer dan 10% tekortkomt op het haar toegekende budget. Volgens artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit wordt een incidentele uitkering slechts toegekend voor zover de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, alsmede de rechtmatige uitvoering van de wet, daartoe aanleiding geeft. De toetsingscommissie beoordeelt of het verzoek om een incidentele aanvullende uitkering aan deze en de andere in artikel 10, eerste lid, van het Besluit genoemde voorwaarden voldoet. De analyse van de toetsingscommissie is daarbij beperkt tot een zeer gelimiteerd aantal objectieve criteria. Onderkend is dat daardoor niet het gehele tekort kan worden verklaard. Die onverklaarbare oorzaken van tekorten van gemeenten bij de uitvoering van de WWB hebben de aanleiding gevormd voor de invoering van de MAU-uitkering, geregeld in artikel 10a en volgende van de WWB.

4.1.3. Blijkens de Nota van toelichting bij het Besluit van 25 februari 2009 tot wijziging van het Besluit in verband met de invoering van de meerjarige aanvullende uitkering, Stb. 2009, 115 (NvT) is de MAU-uitkering in essentie bedoeld als compensatie voor de gemeente die als gevolg van een verdeelstoornis meerjarig tekortkomt op haar budget voor het WWB inkomensdeel. Een verdeelstoornis is de omstandigheid waarin sprake is van bijzondere lokale omstandigheden buiten de invloedsfeer van de gemeente die leiden tot hogere bijstanduitgaven, maar die niet volledig tot uitdrukking komen in de aan de hand van het verdeelmodel objectief vastgestelde kosten. De MAU-uitkering is bedoeld voor gemeenten met meer dan 25.000 inwoners. Deze gemeenten krijgen immers een bijstandsbudget dat geheel of gedeeltelijk is toegedeeld op basis van het objectief verdeelmodel.

4.1.4. Gemeenten die in aanmerking willen komen voor een MAU-uitkering, kunnen daartoe een verzoek indienen bij de toetsingscommissie. De toetsingscommissie gaat pas over tot inhoudelijke beoordeling van het verzoek, als het verzoek voldoet aan de vereisten van artikel 15a van de Regeling WWB en aan de artikelen 10a van het Besluit, de zogenoemde pre-toets. De toetsingscommissie draagt dan op grond van artikel 10b, eerste lid, van het Besluit IWI op in verband met de beoordeling van het verzoek om een MAU-uitkering een onderzoek in te stellen naar de mogelijke oorzaken van de overschrijding van de kosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit en de maatregelen die het betrokken college treft om de overschrijding in de toekomst te voorkomen.

4.1.5. De inhoudelijke beoordeling van het verzoek leidt voor de mogelijke oorzaak van het meerjarig tekort tot één van de volgende conclusies:

a. aangenomen kan worden dat het meerjarige tekort (nagenoeg)

volledig het gevolg is van (exact geduide) verdeelstoornissen;

b. aangenomen kan worden dat het meerjarige tekort het gevolg is van

een combinatie van verdeelstoornissen en gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan;

c. aangenomen kan worden dat het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan de belangrijkste veroorzaker is van het meerjarige tekort.

In die gevallen waarin aangenomen kan worden dat de uitvoering van het beleid mede de oorzaak is van het tekort, kan de MAU-uitkering alleen worden verstrekt indien de gemeente bereid is haar uitvoering te verbeteren. Daartoe maakt IWI - namens de toetsingscommissie - afspraken met het college van burgemeester en wethouders, welke afspraken door de gemeenteraad bekrachtigd dienen te worden. De gemeente stelt hiertoe een verbeterrapport op dat ten minste bevat de concrete verbeteracties die de gemeente gaat uitvoeren, de termijn waarbinnen die verbeteringen gerealiseerd dienen te zijn, de financiële effecten die daarvan naar verwachting uitgaan alsmede de frequentie en wijze waarop de gemeente ten minste eenmaal per jaar inzicht verschaft aan IWI, en daarmee ook aan de toetsingscommissie, over de voortgang van de uitvoering van haar verbeterrapport. Indien de gemeente niet bereid is haar beleid en uitvoeringsresultaten te verbeteren, dan leidt dat tot een afwijzing van het verzoek. De toetsingscommissie zal op grond van artikel 73, tweede lid, WWB daarover een advies uitbrengen aan de minister, die gelet op artikel 74, eerste lid, WWB uiteindelijk een besluit neemt op het verzoek om een MAU-uitkering.

4.1.6. Omdat bij invoering van de regeling van de MAU-uitkering de verwachting bestond dat vaak niet eenduidig zou kunnen worden vastgesteld of het tekort gevolg is van een verdeelstoornis of van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, heeft deze regeling het karakter van een groeimodel gekregen. Het doel van dit model is om aan de hand van concrete casuïstiek steeds beter tot een gerichte analyse te komen van de oorzaken van een gemeentelijk tekort en van de onderdelen waarop het objectieve verdeelmodel verbeterd kan worden. Het uiteindelijke doel is de situatie waarin de MAU-uitkering alleen wordt verstrekt voor tekorten op het inkomensdeel die (nagenoeg) volledig veroorzaakt worden door een verdeelstoornis. Blijkens de NvT kan in de groeivariant de uitkering zowel betrekking hebben op een verdeelstoornis als op de uitvoering van gemeentelijk beleid als oorzaak van het tekort. Voor zover kan worden aangenomen dat het tekort mede het gevolg is van gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, worden aan de uitkering voorwaarden verbonden die gericht zijn op te realiseren verbeteringen in de uitvoering van de WWB en op het voorkomen van nieuw beleid en uitvoering, waardoor het bestaande financiële tekort wordt vergroot en/of de effectiviteit van de te realiseren verbeteringen wordt afgezwakt. Deze groeivariant brengt met zich dat geen aanvullende uitkering wordt verstrekt in gevallen waarin een tekort evident te wijten valt aan de gemeente of waarin de gemeente niet bereid is haar uitvoering naar het gewenste niveau te verbeteren. Vanwege de keuze voor het groeimodel en de noodzaak van een op maat gesneden beoordeling, bevat het Besluit geen uitwerking van de inhoudelijke toets. Die is opgenomen in de Handleiding aanvullende uitkering.

4.1.7. Ingevolge artikel 10c, tweede en derde lid, van het Besluit, voor zover hier van belang en zoals die bepaling ten tijde in geding luidde, wordt de hoogte van de MAU-uitkering berekend aan de hand van de factor B die staat voor een korting van

1° 2,5%, indien de overstijging niet mede het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan;

2° 5%, indien de overstijging gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan; dan wel

3° 7,5%, indien de overstijging bijna uitsluitend het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan;

van het gemiddeld toegekende inkomensdeel in euro's in de drie kalenderjaren direct voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend.

4.1.8. De hoogte van de MAU-uitkering werd, gelet op artikel 10c, derde lid, van het Besluit, mede bepaald door de mate waarin de oorzaak van het tekort gelegen is in gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. Uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering is volgens de NvT dat een gemeente meer gecompenseerd moet worden voor een aantoonbare verdeelstoornis dan voor een tekort dat zij mogelijk nog kan terugdringen door haar beleid effectiever te maken. Indien uit de beoordeling blijkt dat de oorzaak van het meerjarige tekort (nagenoeg) volledig gelegen is in een verdeelstoornis, wordt de gemeente gecompenseerd vanaf 2,5% van haar gemiddelde tekort over de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend. In de situaties waarin aangenomen kan worden dat het tekort veroorzaakt wordt door een combinatie van verdeelstoornissen en beleid en uitvoering én de gemeente bereid is de noodzakelijke verbeteringen in haar uitvoering aan te brengen, wordt het tekort gecompenseerd vanaf 5% respectievelijk 7,5% van het gemiddelde tekort op het inkomensdeel, afhankelijk van de mate waarin beleid en uitvoering vermoedelijke veroorzaker zijn van het meerjarig tekort. Deze eigen bijdrage is in artikel 10c, derde lid, aanhef en onder b, van het Besluit, aangeduid als factor B. Vanwege de vastgestelde ruimte om de uitvoering te verbeteren zal in de gevallen dat de oorzaak van het tekort mede het gevolg is van het gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan, in tegenstelling tot de situatie waarin het tekort (nagenoeg) volledig gelegen is in een verdeelstoornis, de uitkering jaarlijks worden afgebouwd. De afbouw bedraagt respectievelijk 1/6 en 1/3 als het tekort gedeeltelijk veroorzaakt wordt door gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. De afbouw bedraagt respectievelijk 1/3 en 2/3 als het tekort bijna uitsluitend door het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan wordt veroorzaakt. Deze afbouwregeling is geregeld in artikel 10c, vierde lid, van het Besluit.

4.1.9. Met ingang van 1 januari 2013 is artikel 10c van het Besluit gewijzigd. Beslissend voor welke van de drie onderdelen van de factor B moet worden toegepast is niet langer of de overstijging (niet) (mede) het gevolg is van het gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan, maar of het tekort volledig, gedeeltelijk of in geringe mate gevolg is van een verdeelstoornis.

Beoordeling van de gronden

4.2.1. Zoals in 4.1.4, 4.1.5 en 4.1.7 is overwogen, heeft de MAU-uitkering het karakter van een groeimodel, waarbij aan de hand van concrete casuïstiek tot een gerichte analyse moet worden gekomen van de oorzaken van een gemeentelijk tekort en van de onderdelen waarop het verdeelmodel kan worden verbeterd. Om die reden zijn in het Besluit geen duidelijke vast omlijnde criteria te vinden om de eigen bijdrage van een gemeente vast te stellen. Vanuit de idee dat in het begin de factoren die leiden tot een verdeelstoornis niet eenvoudig zijn te traceren, levert een gemeente altijd een eigen bijdrage aan het aanvullen van het tekort, ook als dat tekort niet mede het gevolg is van gemeentelijk beleid. Die eigen bijdrage is dan 2,5%. Als een deel van het tekort kan worden toegeschreven aan het gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan, wordt de eigen bijdrage hoger, namelijk 5%, en 7,5% als het gehele tekort bijna uitsluitend daaraan kan worden toegeschreven. Daarbij geldt dat, anders dan appellant aanvoert, tekorten waarvoor een verklaring ontbreekt niet aan het beleid en de uitvoering daarvan worden toegeschreven. Dat deel van het tekort dat niet verklaarbaar is, wordt juist toegeschreven aan nog niet bekende factoren en daarmee aan een verdeelstoornis. De grond dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, slaagt gelet daarop niet.

4.2.2. De zaak die nu voorligt, is - anders dan appellant lijkt te betogen - niet vergelijkbaar met die van de gemeenten Heerlen, Enschede en Groningen. In het geval van die gemeenten was aannemelijk dat het meerjarig tekort nagenoeg volledig het gevolg was van verdeelstoornissen. In het geval van appellant is daarvan geen sprake. Appellant erkent dat een deel van de oorzaak van het meerjarig tekort van de gemeente Sittard-Geleen kan worden gevonden in het beleid en de uitvoering daarvan. Appellant is echter van mening dat dit niet in die mate het geval is als waarvan de minister uitgaat en dat de minister ten onrechte zich daarbij mede heeft gebaseerd op het verplichte verbeterplan van appellant, waardoor appellant is benadeeld.

4.2.3. Nu het gaat om een besluit op aanvraag en mede gelet op het geobjectiveerde karakter van het verdeelmodel en het uitzonderingskarakter van de regeling van de MAU-uitkering, en gelet op wat in de NvT over de bewijslast is opgenomen, is het aan appellant om aannemelijk te maken dat het gemeentelijk meerjarig tekort op het WWB-inkomensdeel niet mede of slechts gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. Appellant hoefde ten tijde in geding niet aannemelijk te maken dat het tekort (gedeeltelijk) gevolg is van verdeelstoornis. Daarmee is niet in strijd dat appellant zijn verzoek om een MAU-uitkering vergezeld moet laten gaan van een rapport dat een analyse bevat van de mogelijke oorzaak of oorzaken van het meerjarig tekort en moet aangeven welke maatregelen hij al heeft genomen ter verbetering van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan en de eventueel nog te nemen maatregelen. Appellant heeft immers volgens de NvT de mogelijkheid om te vermelden dat geen maatregelen worden of zijn genomen, indien hij beargumenteerd aanvoert dat het meerjarig tekort alleen door een verdeelstoornis wordt veroorzaakt.

4.2.4. Zoals is overwogen in 4.1.5, kan - in die gevallen dat het beleid en de uitvoering daarvan mede de oorzaak zijn van het tekort - alleen een MAU-uitkering worden verstrekt indien appellant bereid is tot verbetering. De gemeente stelt daartoe een verbeterplan op. Het verbeterplan komt derhalve pas in beeld nadat op basis van de inhoudelijke beoordeling wordt geconcludeerd dat het beleid en de uitvoering daarvan mede de oorzaak zijn van het tekort en niet andersom. Met het verbeterplan laat appellant zien dat hij bereid en in staat is de nodige verbeteringen door te voeren die leiden tot vermindering van het tekort. Dit moet worden bezien in het licht van de financiering van de MAU-uitkering. Deze wordt gefinancierd vanuit het macro budget voor het WWB-inkomensdeel en leidt ertoe dat alle andere gemeenten als het ware meebetalen aan de tekorten van die gemeenten die een MAU-uitkering toegekend krijgen. Het verbeterplan heeft daarom geen functie bij de beantwoording van de vraag of een MAU-uitkering in beginsel kan worden verstrekt, worden maar wel onder welke voorwaarden dat moet geschieden. APE heeft zijn onderzoek verricht voordat appellant zijn verbeterplan had opgesteld en ingediend. IWI en (vervolgens) de minister hebben aansluiting gezocht bij de bevindingen van APE en zijn tot de conclusie gekomen dat het tekort gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan. Het door appellant ingediende verbeterplan heeft bij het trekken van die conclusie, anders dan appellant aanvoert, geen rol gespeeld.

4.2.5. Dat het meerjarig tekort van appellant voor een deel wordt veroorzaakt door het beleid en de uitvoering daarvan, blijkt ook uit het nadere rapport dat APE in opdracht van het college heeft opgesteld. In dit rapport van juni 2010 concludeert APE dat Sittard-Geleen weliswaar beter presteert dan de huidige objectieve verdeelsleutel suggereert, maar ook dat er mogelijkheden zijn om de prestaties te verbeteren. Vooral de uitstroom van bijstandsgerechtigden kan worden bevorderd door een gerichte en gedifferentieerde benadering.

4.2.6. Het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van BMC leidt niet tot een ander oordeel. In het rapport van BMC wordt op basis van een cijfermatige vergelijking met andere gemeenten onderzocht hoe Sittard-Geleen zich tot die gemeenten verhoudt. Daartoe zijn bijvoorbeeld de budgetten, in- en uitstroomcijfers, de leeftijdsopbouw van de bijstandsgerechtigden, de samenstelling van de huishoudens en de teruggevorderde fraudebedragen met elkaar vergeleken. Het rapport beidt echter geen aanknopingspunten voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre het tekort van Sittard-Geleen het gevolg is van verdeelstoornissen. Ook worden daarin de bevindingen van APE en IWI op dat punt niet weersproken.

4.2.7. Uit 4.2.1 tot en met 4.2.6 volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het tekort niet mede het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. Niet in geschil is dat, indien daarvan wordt uitgegaan, de minister de eigen bijdrage terecht heeft bepaald op 5%.

4.3.

De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD