Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2498

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-443 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering van de onverschuldigd aan appellant betaalde WW-uitkering. De beslissing waarbij de WW-uitkering is ingetrokken en teruggevorderd is in rechte onaantastbaar geworden omdat appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/443 WW

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 december 2012, 12/3316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Aksözek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aksözek. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft van 30 juli 2010 tot 5 december 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

1.2. Bij besluit van 5 januari 2012 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WW-uitkering ingetrokken over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 4 december 2011 en de over die periode onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 7.769,70 van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij brief van eveneens 5 januari 2012 heeft het Uwv aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem een boete op te leggen van € 780,- wegens schending van de inlichtingenplicht.

1.4. Bij besluit van 25 januari 2012 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van

€ 780,-.

1.5. Bij besluit van 21 maart 2012 heeft het Uwv besloten dat appellant een bedrag van

€ 7.712,51 in één keer moet terugbetalen. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van

14 april 2012 bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluit van 25 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, ten eerste vastgesteld dat niet in geschil is dat het bezwaar van appellant van 14 april 2012 is gericht tegen het besluit van 21 maart 2012, en niet tegen het in 1.2 genoemde besluit van 5 januari 2012 en het besluit van 25 januari 2012. Voor zover dat door appellant is betoogd, kan de brief van 17 januari 2012 evenmin worden aangemerkt als een bezwaar tegen het besluit van

5 januari 2012 over de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkering, omdat uit die brief op geen enkele wijze blijkt dat appellant het niet eens is met de intrekking en de terugvordering van de teveel ontvangen WW-uitkering. De omvang van het geding is daarom beperkt tot het bestreden besluit over de invordering van de onverschuldigd betaalde

WW-uitkering. De beroepsgronden van appellant zijn echter gericht tegen de besluiten van

5 januari 2012 en 25 januari 2012. Nu appellant tegen de invordering geen beroepsgronden heeft aangevoerd, is het beroep ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de brief van 17 januari 2012 moet worden aangemerkt als een bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2012 over de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkering.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Ter beoordeling ligt voor het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit, dat ziet op de invordering van de onverschuldigd aan appellant betaalde WW-uitkering. De beroepsgronden van appellant zijn gericht tegen het besluit van 5 januari 2012, waarbij de WW-uitkering is ingetrokken en teruggevorderd. Deze beslissing is echter in rechte onaantastbaar geworden omdat appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat de brief van 17 januari 2012 niet kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2012. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd, zoals weergegeven in onderdeel 12 van de aangevallen uitspraak, worden onderschreven. Appellant heeft hiertegen in hoger beroep geen nieuwe beroepsgronden aangevoerd.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het geding in hoger beroep is beperkt tot het besluit over de invordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering. Hiertegen heeft appellant geen beroepsgronden aangevoerd. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij nog niets heeft terugbetaald aan het Uwv en dat er door het Uwv ook nog niet wordt ingevorderd.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.K. Dekker

HD