Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
14-27 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkiring. Hersteldverklaring.Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Wachttijd van 104 weken niet vervuld. De rechtbank heeft terecht het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is het volgende in aanmerking genomen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat er een registratiesysteem is van de uitgaande post. Hoewel het besluit niet aangetekend is verzonden is de Raad van oordeel dat er door dit registratiesysteem aanwijzingen zijn dat het besluit daadwerkelijk naar het juiste adres is verzonden. Nu het besluit van 15 oktober 2010 in rechte vaststaat heeft de rechtbank terecht overwogen dat de wachttijd niet is vervuld. Dat de ZW-uitkering is doorbetaald wil niet zeggen dat er ook “recht” op ziekengeld bestond als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Wet WIA. Appellant is terecht niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/27 ZW, 14/28 WIA

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 november 2013, 13/1122 en 13/2007 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2014. Namens appellant is

mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 9 maart 2010 vanuit een werkloosheidssituatie ziekgemeld. Appellant is per 17 augustus 2010 hersteld verklaard en bij besluit van die datum is de hem toegekende uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 oktober 2010 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Appellant heeft bij schrijven van 5 maart 2013 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Appellant heeft hierbij aangegeven dat hij het besluit nooit heeft ontvangen en dat hij, omdat zijn ZW-uitkering steeds is doorbetaald, ervan uit mocht gaan dat hij nog steeds recht had op een uitkering. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe is overwogen dat vaststaat dat het beroep niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn van zes weken. De ontkenning van de ontvangst van het bestreden besluit is niet geloofwaardig. Appellant heeft zelf bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij is onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts en het Uwv heeft aan appellants adres een brief gestuurd met daarin de uiterste datum waarop een beslissing op bezwaar moest worden afgegeven. Tevens acht de rechtbank van belang dat appellant aanvankelijk had gesteld het primaire besluit ook niet te hebben ontvangen. Dit is niet juist. Hij heeft immers zelf bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dat de ZW-uitkering steeds is doorbetaald, maakt het niet anders. Hetzelfde geldt voor de keuringsformulieren voor de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze formulieren zijn niet uit eigen beweging door het Uwv naar appellant gestuurd, maar appellant heeft hier zelf om verzocht. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is geen sprake.

1.2. Bij besluit van 28 januari 2013 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat appellant, in verband met de hersteldverklaring van 17 augustus 2010 op grond van de ZW, de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 12 maart 2013 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat nu het besluit van

17 augustus 2010 in rechte vaststaat, appellant niet de wachttijd op grond van de Wet WIA heeft voltooid.

2.1. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij het bestreden besluit I niet heeft ontvangen. Hij heeft pas op 4 maart 2013 van het besluit kennis genomen. Dat appellant aanvankelijk heeft gezegd dat hij het primaire besluit ook niet heeft ontvangen, berust op een miscommunicatie tussen hem en zijn gemachtigde.

2.2. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij wel de wachttijd van 104 weken heeft voltooid.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2.1. De rechtbank heeft terecht het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is het volgende in aanmerking genomen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat er een registratiesysteem is van de uitgaande post. Hoewel het besluit niet aangetekend is verzonden is de Raad van oordeel dat er door dit registratiesysteem aanwijzingen zijn dat het besluit daadwerkelijk naar het juiste adres is verzonden.

3.2.2. De Raad acht voorts van belang dat het Uwv appellant een brief heeft gestuurd naar het adres dat appellant in zijn bezwaarschrift had opgegeven, met de mededeling dat voor

23 november 2010 een beslissing op bezwaar zou worden genomen. Omdat appellant daarom wist dat er een besluit zou komen had hij stappen moeten ondernemen toen de ontvangst van de beslissing uitbleef. Niet gebleken is dat appellant iets heeft gedaan na het uitblijven van het besluit. Ook is van belang dat het Uwv appellant een brief heeft gezonden met de uitnodiging om op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts te komen, waar hij ook daadwerkelijk is verschenen. Deze omstandigheden, in samenhang bezien, leiden ertoe dat appellant (veel) te laat beroep heeft ingesteld zonder dat kan worden gezegd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Het gegeven dat al die tijd wel de ZW-uitkering is doorbetaald, maakt dat niet anders. Het lag op de weg van appellant om bij het Uwv navraag te doen.

3.3. Nu het besluit van 15 oktober 2010 in rechte vaststaat heeft de rechtbank terecht overwogen dat de wachttijd niet is vervuld. Dat de ZW-uitkering is doorbetaald wil niet zeggen dat er ook “recht” op ziekengeld bestond als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Wet WIA. Appellant is terecht niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet WIA.

4.

Uit hetgeen is overwogen in 3.2.1 tot en met 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling van vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) J.C. Hoogendoorn

ew