Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-3756 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding bijverdiengrens. Vordering wegens meerinkomen. Niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3756 WSF

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

5 juli 2013, 13/1929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014. Appellant is verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. De Minister heeft aan appellant, voor zover hier vpan belang, studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend over het jaar 2010.

1.2. Bij brief van 25 november 2012 heeft de Minister appellant meegedeeld dat hem uit van de belastingdienst verkregen gegevens is gebleken dat hij in het jaar 2012 een verzamelinkomen heeft genoten van € 16.859,-, en dat de zogeheten bijverdiengrens van

€ 13.215,83 dus is overschreden.

1.3. Bij besluit van 2 februari 2013 heeft de Minister op basis van de onder 1.2 vermelde inkomensgegevens over het studiefinancieringstijdvak 2010 ten laste van appellant een vordering wegens meerinkomen vastgesteld van in totaal € 1.987,02.

1.4. Bij besluit van 28 februari 2013 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2013 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer gesteld dat niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 11.5 van de Wsf 2000.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant in grote lijnen hetzelfde aangevoerd als in bezwaar en beroep. Het beroep op de hardheidsclausule heeft hij nader onderbouwd door zijn situatie in 2010 en 2011 te schetsen. Hij heeft daarbij gewezen op de slechte gezondheid van zijn vader en op de problemen rond het (tijdig) doen van belastingaangifte.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in 2010 meerinkomen heeft gehad en dat hij daarvan niet voor 1 juli 2011 aan de Minister opgave heeft gedaan. Wat partijen verdeeld houdt is of de Minister in wat appellant heeft aangevoerd aanleiding had behoren te vinden om, onder toepassing van de hardheidsclausule, in afwijking van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 3.17 van de Wsf 2000 af te zien van de vordering wegens meerinkomen.

4.2.

Die aanleiding behoefde de Minister niet te zien. Er is geen sprake van een situatie waarin de Minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule af te wijken van artikel 3.17, elfde lid, van de Wsf 2000, waarin dwingendrechtelijk is bepaald dat een aanvraag van een studerende om zijn studiefinanciering te beëindigen voor de toepassing van de zogenoemde bijverdienregeling moet worden ingediend voor 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarover de vordering wordt vastgesteld. De billijkheid van een wettelijke regeling als de onderhavige kan door de rechter niet worden getoetst.

4.3.

De omstandigheden die appellant heeft geschetst, hoe aannemelijk ook dat deze er voor hem aan in de weg hebben gestaan dat hij vóór 1 juli 2011 duidelijkheid kreeg over zijn exacte verzamelinkomen, maken niet dat hij niet eerder in actie had behoeven te komen om zijn studiefinanciering over 2010 met terugwerkende kracht te beëindigen. Juist in zijn situatie, waarin er meerdere bronnen van inkomen waren en waarbij alleen al het verwachte inkomen uit arbeid op jaarbasis ruim € 10.000,- bedroeg, had proactief handelen mogen worden verwacht. Zoals hij ook in 2011 - nog voordat hij van de onderhavige problemen ter zake van 2010 op de hoogte was - heeft gedaan, had hij in 2010, althans niet later dan op

30 juni 2011, met de Minister contact kunnen zoeken. Hij had er in dat contact op kunnen wijzen dat hij (nog) niet precies wist welk inkomen hij over 2010 had genoten en kunnen vragen wat hem te doen stond. Niet is gebleken dat appellant eerder in actie is gekomen dan nadat de Minister hem bij brief van 25 november 2012 had gewezen op het overschrijden van de bijverdiengrens.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5.

Omdat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

RK