Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-4569 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering AIO-aanvulling. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Eigendom appartementencomplex in Turkije niet gemeld. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, recht op AIO-aanvulling bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4569 WWB, 13/4570 WWB

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

10 juli 2013, 13/1140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/303 WWB en 13/304 WWB, plaatsgevonden op 18 maart 2014. Voor appellanten is verschenen mr. Gürses. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben over de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 juni 2009 vanwege de gemeente Utrecht bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ontvangen naar de norm voor gehuwden. Vanaf die datum ontvangen zij elk een (onvolledig) pensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW). De Svb heeft aan elk van hen met ingang van 1 juli 2009 met toepassing van artikel 47a van de WWB een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend.

1.2.

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) heeft bij besluit van 15 juni 2011, gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2012, de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 juni 2009 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 159.517,38 van hen teruggevorderd. De rechtbank Utrecht heeft het beroep tegen het besluit van 28 februari 2012 bij uitspraak van

29 november 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden met de zaaknummers

13/303 WWB en 13/304 WWB (uitspraak A), heeft de Raad op het hoger beroep van appellanten tegen de uitspraak van 29 november 2012 beslist. Daarbij zijn de intrekking (materieel) en de terugvordering in stand gelaten. Uitspraak A is bijgevoegd.

1.3.

Bij besluit van 21 februari 2012 heeft de Svb appellanten meegedeeld dat zij ten onrechte AIO-aanvulling hebben ontvangen. Bij besluit van gelijke datum heeft de Svb appellanten mededelingen gedaan over het bedrag aan AIO-aanvulling dat zij ten onrechte hebben ontvangen en over de terugbetaling van dat bedrag. De Raad leest deze besluiten samengenomen aldus: de AIO-aanvulling wordt beëindigd met ingang van maart 2012, de AIO-aanvulling wordt ingetrokken over de voorliggende periode van juli 2009 tot en met februari 2012 en het nettobedrag van € 12.931,54 aan AIO-aanvulling over die periode wordt van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 9 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 21 februari 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat uit onderzoek van de gemeente Utrecht is gebleken dat appellanten in de periode 1998 tot en met april 2009 een appartementencomplex in Turkije bezaten, dat dit complex in april 2009 is verkocht aan [naam] voor een bedrag van € 208.000,- waardoor hun vermogen hoger was dan de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen, dat appellanten hiervan geen mededeling hebben gedaan aan de Svb zodat zij hun inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij het hiervoor genoemde bedrag vanaf juli 2009 hadden moeten aanwenden om in hun levensonderhoud te voorzien.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat niet zij maar[naam] steeds de economische eigendom van het appartementencomplex heeft gehad. In de rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 van uitspraak A, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen, heeft de Raad deze beroepsgrond verworpen.

4.2.

Vaststaat dat de eigendom van het appartementencomplex op 29 april 2009 is overgedragen aan[naam]. Uit het op verzoek van het college verrichte onderzoek in Turkije blijkt dat het complex op 16 februari 2011 door een makelaar is getaxeerd, waarbij de waarde per 2009 en per taxatiedatum is gesteld op € 208.000,-. Appellanten hebben aangevoerd dat de waarde van het complex onjuist is getaxeerd. In uitspraak A heeft de Raad al overwogen dat het college van die waarde mocht uitgaan (rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.10.3). Ook de Svb heeft daarvan kunnen uitgaan.

4.3.

Appellanten hebben in het kader van hun in december 2009 bij de Svb ingediende aanvraag om AIO-aanvulling geen melding gemaakt van eigendom van onroerend goed in Turkije tot 29 april 2009 en van de overdracht van die eigendom op 29 april 2009. Mede gelet op de aanzienlijke waarde van het onroerend goed, gaat het hier onmiskenbaar om feiten waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed konden zijn op (de omvang van) het recht op AIO-aanvulling, zodat dit valt onder de reikwijdte van hun wettelijke inlichtingenverplichting. Door hiervan geen melding te maken, hebben appellanten deze verplichting geschonden. Daardoor is de Svb niet in de gelegenheid geweest om vooraf te bezien of de hiervoor vermelde eigendomsoverdracht en de daaruit ontvangen middelen in de weg stonden aan toekenning van AIO-aanvulling.

De intrekking en de beëindiging

4.4.

De hier ter beoordeling staande periode loopt van 1 juli 2009 tot 1 maart 2012.

4.5.

De intrekking en de beëindiging van de AIO-aanvulling berusten op het standpunt van de Svb dat, gelet op de waarde van het appartementencomplex van € 208.000,- en de verkoop daarvan in april 2009, appellanten beschikten over een vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen.

4.6.

Appellanten hebben dat betwist. Zij hebben aangevoerd dat, omdat[naam] steeds economisch eigenaar van het appartementencomplex is geweest en hij ook alle financierings- en eigenaarslasten verbonden aan het complex voor zijn rekening heeft genomen, slechts verrekening van de waarde van het complex met de schulden van appellanten aan[naam] heeft plaatsgevonden en dat zij als gevolg van deze verrekening geen gelden uit de eigendomsoverdracht hebben ontvangen.

4.7.

De Svb is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat appellanten vanaf 1 juli 2009 daadwerkelijk beschikten over vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen. De Svb stelt, mede gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad, dat de beëindiging van de registratie als eigenaar van het appartementencomplex de vooronderstelling rechtvaardigt dat het onroerend goed is verkocht voor de getaxeerde waarde en dat het met de verkoop vrijgekomen vermogen ten goede is gekomen aan appellanten, maar daarvoor zijn onvoldoende aanknopingspunten in de stukken aanwezig. Het is weliswaar aannemelijk dat appellanten uit de verkoop enig bedrag hebben ontvangen, maar verifieerbare gegevens met betrekking tot de verkoop ontbreken en ook anderszins zijn geen stukken voorhanden waaruit zou kunnen worden afgeleid welk bedrag appellanten als koopprijs hebben ontvangen. Verder heeft de Svb geen aandacht besteed aan de vraag welke betekenis voor de omvang van het vermogen van appellanten toekomt aan het gegeven dat het college bij besluit van

15 juni 2011 van appellanten een bedrag van ruim € 159.000,- heeft teruggevorderd. Het bestreden besluit berust, voor zover het betreft de intrekking en de beëindiging van de

AIO-aanvulling, dus niet op een deugdelijke motivering en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Hierna zal worden bezien welk gevolg aan dit oordeel moet worden verbonden.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, daaronder begrepen de AIO-aanvulling, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand bestond.

4.9.

Ter zitting van de Raad heeft de Svb in aanvulling op het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat, indien niet kan worden uitgegaan van een zodanig vermogen van appellanten dat dit in de weg stond aan toekenning van AIO-aanvulling aan hen, de in 4.8 bedoelde situatie zich hier voordoet en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op AIO-aanvulling bestond.

4.10.

In dit standpunt wordt de Svb gevolgd. Als gevolg van de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting door appellanten kan de vermogenspositie van appellanten niet worden bepaald. Daardoor is het recht op AIO-aanvulling vanaf 1 juli 2009 niet vast te stellen. Appellanten hebben niet betwist dat met de verkoop van het appartementencomplex middelen zijn vrijgekomen. Zij hebben echter gesteld dat zij die middelen niet hebben ontvangen maar, ter voldoening van hun schuld aan[naam] voortvloeiend uit de onder 4.5 genoemde omstandigheden, aan hem hebben afgedragen, waardoor per saldo geen middelen voor hen resteerden. Over het ontstaan van de schuld aan[naam] in verband met de aan het onroerend goed en de financiering daarvan verbonden lasten hebben appellanten geen objectieve en verifieerbare stukken overgelegd. Met betrekking tot de eigendomsoverdracht van het appartementencomplex en de eventuele verrekening van de verkoopprijs met een vordering van[naam] op appellanten zijn in het geheel geen gegevens overgelegd. Op dit punt is alleen komen vast te staan dat vanaf 29 juli 2009 het onroerend goed niet langer op hun naam maar op naam van[naam] is geregistreerd. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen de hoge waarde van het onroerend goed, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de hier ter beoordeling staande periode recht op AIO-aanvulling bestond. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

Terugvordering

4.11.

Uit 4.10 vloeit voort dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat de Svb bevoegd was het aan AIO-aanvulling verleende bedrag van appellanten terug te vorderen. Appellanten hebben tegen de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden gericht.

Conclusie

4.12.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het de intrekking en de beëindiging betreft. De rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit zullen in stand worden gelaten.

Proceskosten

5.

De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 januari 2013 voor zover het betreft de intrekking en de

beëindiging;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD