Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
12-5661 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIJ-inkomensvoorziening. Dakloze. Appellant zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet kon worden vastgesteld dat betrokkene verbleef op een van de opgegeven locaties, zodat zijn recht op inkomensvoorziening niet kon worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/216

Uitspraak

12/5661 WIJ

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 september 2012, 12/1024 en 12/1421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. V.W.J. Kuit, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Kuit.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft zich op 13 oktober 2011 gemeld bij de balie van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI), onder meer voor een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ). Betrokkene heeft op het intakeformulier vermeld dat hij dakloos is. Volgens zijn opgave leeft hij op straat, loopt hij rondjes, verblijft hij overdag ook wel in een moskee in [gemeente 2], en slaapt hij op de volgende locaties: in het busstation van [gemeente 1] (onder de trap bij de parkeerplaats) en bij de metrohaltes Marne (op grasveld) en Gondel (op de grond) in [gemeente 2].

1.2.

Twee handhavingsspecialisten van de afdeling Controle Bijzondere Doelgroepen van de DWI hebben op 15, 16 en 17 november 2011 ter plekke onderzoek verricht naar de door betrokkene opgegeven verblijfslocaties. Betrokkene is niet op een van de locaties aangetroffen. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

18 november 2011.

1.3.

Bij besluit van 21 november 2011 heeft appellant de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ geweigerd op de grond dat betrokkene niet is aangetroffen op de opgegeven locaties, waardoor zijn recht op deze voorziening niet is vast te stellen.

1.4.

Betrokkene heeft zich op 28 november 2011 opnieuw gemeld voor een inkomensvoorziening en daarbij opnieuw gemeld dakloos te zijn, op verschillende locaties in [gemeente 2] en [gemeente 1] te verblijven en op straat te lopen. Twee medewerkers van de DWI hebben op 23 december 2011 en op 27 december 2011 een verklaring van betrokkene over zijn verblijfssituatie opgenomen.

1.5.

Bij besluit van 29 december 2011 heeft appellant de inkomensvoorziening geweigerd op de grond dat uit eerder onderzoek is gebleken dat betrokkene niet verblijft op de opgegeven locaties en dat betrokkene geen nieuwe adressen heeft opgegeven. Omdat betrokkene geen concreet adres heeft opgegeven waar hij de nachten doorbrengt - betrokkene vertelde dat hij loopt door het centrum van Amsterdam - is het niet mogelijk hem te lokaliseren, waardoor zijn woon- en leefsituatie niet is vast te stellen.

1.6.

Bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2011 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 24 februari 2012 (bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 29 december 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant de grondslag van de afwijzing gewijzigd in die zin dat sprake is van een herhaalde aanvraag en dat zich ten opzichte van de afwijzing van de eerdere aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgegaan, zodat artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hier kan worden toegepast.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, en appellant opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 21 november 2011 en 29 december 2011. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 1 overwogen dat niet is gebleken dat betrokkene onjuiste informatie over zijn verblijfslocaties heeft verstrekt en dat appellant onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de opgegeven verblijfslocaties, onder meer door niet precies op de juiste plaatsen te kijken. Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, dat appellant ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de door betrokkene opgegeven verblijfslocaties en niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het eerder verrichte onderzoek. Anders dan appellant acht de rechtbank die locaties verifieerbaar.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij het volgende aangevoerd. Appellant heeft voorop gesteld dat van een dakloze mag worden verwacht dat hij zodanige informatie verstrekt over zijn verblijfsplekken dat daadwerkelijke controle door het bestuursorgaan mogelijk is. Voorts dient een inkomensvoorziening te worden geweigerd als de betrokkene niet verblijft op de opgegeven locaties. Bij het onderzoek naar aanleiding van de eerste aanvraag is betrokkene niet aangetroffen op een van de opgegeven locaties. Het naar aanleiding van beide aanvragen verrichte onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. Wat betreft de tweede aanvraag is onder meer van belang dat betrokkene zodanige verblijfslocaties heeft opgegeven dat daadwerkelijke controle goeddeels onmogelijk was. Appellant verzet zich niet tegen de gegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 2 en tegen de vernietiging van dat besluit. Zoals ter zitting is besproken, beoogt appellant met het hoger beroep op dit onderdeel dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand worden gelaten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in deze gedingen om besluiten tot afwijzing van verzoeken om een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van zijn aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bestuursorgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de inkomensvoorziening indien als gevolg daarvan het recht op een inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Voorop staat dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ. Ook van iemand die stelt dakloos te zijn kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats.

Bestreden besluit 1

4.3.

De hier te beoordelen periode loopt van 13 oktober 2011 tot 21 november 2011.

4.4.

Tegen de achtergrond van het in 4.1 en 4.2 geschetste kader, voldoet het door de DWI verrichte onderzoek aan de daaraan te stellen eisen. In het rapport van 18 november 2011 is op inzichtelijke wijze verslag gedaan van de activiteiten die de betrokken medewerkers van de DWI hebben verricht om de aanwezigheid van betrokkene vast te stellen, uitgaande van de door betrokkene opgegeven verblijfslocaties. Er zijn zes bezoeken afgelegd, aan drie van de opgegeven locaties. Verder hebben de medewerkers mondeling telefonisch contact met betrokkene gehad en zijn over en weer sms-berichten verzonden. Daarbij zijn aan betrokkene ook aanwijzingen gegeven hoe te handelen, zodat de medewerkers van DWI hem konden bereiken. Dit alles heeft niet geleid tot de vaststelling van de aanwezigheid van betrokkene op een van de opgegeven locaties. In dit verband is nog het volgende van belang. In de vroege ochtend van 15 november 2011 hebben de medewerkers van de DWI bezoeken gebracht aan de locaties busstation[gemeente 1] en metrostation Marne. Kort daarna is er telefonisch contact geweest met betrokkene, waarbij betrokkene meedeelde dat hij op dat moment in het centrum van [gemeente 2] was en dat hij daar ook de nacht had doorgebracht. Beantwoording van de vraag of de medewerkers van de DWI toen wel precies op de juiste plekken in het busstation van [gemeente 1] en bij station Marne hebben gecontroleerd is daarom niet relevant. Voorts behoorde het centrum van Amsterdam niet tot de door betrokkene opgegeven verblijfslocaties. Appellant heeft voorts terecht opgemerkt dat de rechtbank geen aandacht heeft geschonken aan de gang van zaken op 17 november 2011, die ertoe heeft geleid dat de medewerkers van DWI tevergeefs op betrokkene hebben gewacht nabij metrostation Gondel nadat met betrokkene telefonisch contact was geweest. De Raad acht, mede gelet op de weergave van de telefonische contacten, de verklaring van betrokkene dat hij zich heeft vergist in de naam van het station dan wel dat sprake was van een misverstand niet geloofwaardig.

4.5.

De conclusie is dat appellant zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet kon worden vastgesteld dat betrokkene verbleef op een van de opgegeven locaties, zodat zijn recht op inkomensvoorziening in de hier te beoordelen periode niet kon worden vastgesteld. De inkomensvoorziening is hem daarom terecht geweigerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. In zoverre slaagt het hoger beroep.

Bestreden besluit 2

4.6.

De hier te beoordelen periode loopt van 28 november 2011 tot en met 29 december 2011.

4.7.

Op het zogenoemde zevendagenformulier dat betrokkene op 28 november 2011 heeft ingevuld heeft hij de locaties vermeld waar hij van 22 november 2011 tot en met 28 november 2011 heeft verbleven. Hij heeft als locaties genoemd:[locatie 1] (2 keer), [locatie 2] en [locatie 3]. Verder heeft hij opgegeven te lopen (niet te slapen) in de binnenstad van Amsterdam. Op het zevendagenformulier dat appellant op 5 december 2011 heeft ingevuld, heeft hij dezelfde locaties opgegeven.

4.8.

Appellant heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, gelet op de aard van de door betrokkene opgegeven plaatsen en/of de grootte van het opgegeven gebied, de verblijfssituatie van betrokkene niet zonder meer verifieerbaar was. Appellant heeft voorts niet voorbij hoeven zien aan het resultaat van het in november 2011 al verrichte onderzoek. Mede in aanmerking genomen het in 4.1 en 4.2 geschetste kader, hebben de betrokken medewerkers van de DWI daarom op goede gronden van betrokkene verlangd dat hij preciezer zou aangeven waar hij zoal verbleef. Uit het zich bij de stukken bevindende overzicht van de ambtelijke notities die binnen de DWI zijn gemaakt in het kader van de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening blijkt dat op 23 en 27 december 2011 met betrokkene is gesproken. Betrokkene heeft bij die gelegenheden geen concrete informatie verschaft aan de hand waarvan zijn verblijfssituatie kon worden gecontroleerd en geverifieerd. In essentie komt de verklaring van betrokkene hierop neer dat hij zwerft, vaak overdag slaapt en verder - ook ’s nachts - rondloopt in de stad. Dat is onvoldoende om zijn recht op een inkomensvoorziening te kunnen vaststellen. De Raad ziet, anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat appellant aanvullend onderzoek had moeten doen. Dat, zoals betrokkene in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, hij op 27 december 2011 expliciet het centraal station Amsterdam als verblijfslocatie voor die nacht heeft opgegeven, maakt dat niet anders. Appellant heeft daartegenover niet ten onrechte gesteld dat die locatie zodanig ruim en onbepaald is dat de aanwezigheid van betrokkene aldaar niet kan worden nagetrokken.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep ook in zoverre slaagt.

Conclusie

4.10.

De rechtbank had het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond moeten verklaren. In aanmerking genomen dat, zoals door appellant is erkend, de wettelijke grondslag van bestreden besluit 2 - toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb - onjuist is, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 terecht gegrond verklaard en dat besluit terecht vernietigd. Uit 4.8 volgt dat de inkomensvoorziening van 5 december 2011 wel terecht is geweigerd. De Raad ziet daarom aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand te laten. De proceskostenveroordeling en de bepaling over het griffierecht in beroep kunnen niet ten volle in stand blijven. Om redenen van overzichtelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak geheel vernietigen en vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen op de wijze als in het dictum van deze uitspraak is vermeld.

5.

Voor een veroordeling van de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2012 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van

€ 874,-;

- bepaalt dat appellant aan betrokkene het in beroep (zaak 12/1421) betaalde griffierecht van

€ 42,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) S.K. Dekker

HD