Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
12-5235 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting door geen inlichtingen te verstrekken over de hoogte van haar vermogen en door niet mee te werken aan het onderzoek van de afdeling Handhaving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5235 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 augustus 2012, 12/741 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2014. Voor appellante is verschenen mr. Boomstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 7 augustus 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een mededeling van het inlichtingenbureau dat op 31 december 2009 een bedrag van € 9.776,- op een aan appellante toebehorende bankrekening staat, is het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht en heeft op 17 oktober 2011 een gesprek met appellante plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek is appellante geconfronteerd met de informatie van het inlichtingenbureau, waarna zij een verklaring heeft gegeven over drie overschrijvingen van en naar haar bankrekening van een bedrag van € 5.000,- betreffende

F.J. [naam] ([naam]). Appellante heeft verklaard dat [naam], die van december 2004 tot en met augustus 2008 haar werkgever is geweest, al jarenlang haar vriend is. Volgens appellante woont hij in Amsterdam Noord, maar zijn adres wist zij niet uit haar hoofd. Op nadere vragen over [naam] en haar relatie met hem wenste appellante geen antwoord te geven, omdat het volgens haar privé is. Appellante is vervolgens opgestaan en heeft de spreekkamer verlaten. De bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van 21 oktober 2011, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 oktober 2011 de bijstand van appellante met ingang van 17 oktober 2011 in te trekken op de grond dat appellante geen inlichtingen heeft verstrekt over de hoogte van haar vermogen en geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de afdeling Handhaving.

1.3.

Bij besluit van 3 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft betoogd dat het college ten onrechte heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld omdat de betrokken medewerkers van de afdeling Handhaving, door vragen van ongepast intieme aard te stellen, een situatie hebben gecreëerd waarin van appellante niet langer verlangd kon worden dat zij het gesprek zou voortzetten. Bovendien is haar een pauze, die zij wenste in verband met het heftige karakter van het gesprek, niet gegund.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 17 oktober 2011 tot en met

25 oktober 2011.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

4.4.

Indien de betrokkene niet aan de inlichtingen- en/of de medewerkingsverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft.

4.5.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante met de beëindiging van het gesprek op 17 oktober 2011 de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Uit het verslag komt naar voren dat het college op het moment van beëindiging van het gesprek door appellante nog vragen had met betrekking tot de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand.

4.5.2.

Over het bedrag van € 9.776,- heeft appellante verklaard dat zij nog een vergoeding zou krijgen van € 8.500,90 van haar ex-werkgever, [naam]. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften is vervolgens gebleken dat zij op 3 augustus 2011 een bedrag van € 5.000,- aan [naam] heeft overgemaakt. Dit bedrag is door [naam] op 29 augustus 2011 teruggestort op de bankrekening van appellante. Op 9 september 2011 heeft appellante het bedrag wederom aan [naam] overgemaakt. Zij heeft over de reden van die stortingen wisselende verklaringen afgelegd. Appellante heeft daarnaast te kennen gegeven dat [naam] al jaren haar vriend is en dat zij een relatie met hem heeft. Op grond van voornoemde verklaringen van appellante bestond er voldoende aanleiding voor het college om door te vragen over de relatie van appellante met [naam]. Appellante was echter niet meer bereid tot antwoorden, heeft het gesprek beëindigd en is weggegaan. Hierdoor kon op dat moment geen duidelijkheid worden verkregen over de (financiële) relatie van appellante met [naam] en, daarmee samenhangend, de woonsituatie van appellante. Appellante heeft, door in de gegeven situatie te weigeren vragen over haar relatie met [naam] te beantwoorden, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Door het gesprek te beëindigen en weg te gaan, heeft appellante het college de mogelijkheid ontnomen een huisbezoek af te leggen, indien de beantwoording van de vragen over haar relatie met [naam] daartoe aanleiding mochten hebben gegeven. Aldus heeft zij de op haar rustende medewerkingsverplichting geschonden. De stelling dat appellante alle benodigde inlichtingen heeft verschaft, zoals ter zitting is gesteld, houdt dan ook geen stand. Dat vragen van intieme aard zijn gesteld blijkt niet uit het rapport van 21 oktober 2011 en is daarnaast door de betrokken handhavingsmedewerker genoegzaam weersproken, getuige het verslag van de hoorzitting van 5 december 2011. Ten slotte valt uit het rapport niet op te maken, wat daar verder ook van zij, appellante om een pauze heeft verzocht.

4.5.3.

Door de schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting is het college niet in staat geweest om het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand af te ronden. Gelet hierop heeft de rechtbank, in navolging van het standpunt van het college, terecht overwogen dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) S.K. Dekker

HD