Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-1476 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:822, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet woonachtig op het uitkeringsadres. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1476 WWB

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2013, 12/973 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Besemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Nentjens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.C. Rolle.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 21 januari 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat ingeschreven op het adres [adres](uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 16 juni 2011 dat op het uitkeringsadres sinds twee jaar niemand woont heeft de gemeente Rotterdam, afdeling Bijzondere Onderzoeken (BO), na raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie waaruit is gebleken dat er vier personen op het uitkeringsadres staan ingeschreven, een vooronderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft BO onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse instanties, waaronder Eneco en Evides, om inlichtingen verzocht en op 29 juli 2011 een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd.

1.2.1.

Uit de gegevens van Eneco over het gebruik is af te leiden dat op het opgegeven adres in de periode 2006 - 2007 sprake is geweest van een gasverbruik van 82 m³, in de periode van 2007 – 2008 8 m³, in de periode 2008 – 2009 0 m³, in de periode 2009 – 2010 0 m³ en in de periode 2010 – 2011 0 m³. Het elektriciteitsverbruik bedroeg in de periode van 2006 – 2007 261 kWh, in de periode 2007 – 2008 264 kWh, in de periode 2008 – 2009 36 kWh, in de periode 2009 – 2010 0 kWh en in de periode 2010 – 2011 0 kWh. Eneco heeft in een email op 9 september 2011 te kennen gegeven dat op 11 maart 2009 voor het laatst een betaling van het termijnbedrag heeft plaatsgevonden. Sindsdien is geen termijnbedrag meer in rekening gebracht vanwege het lage energieverbruik.

1.2.2.

Uit de gegevens van Evides blijkt dat op 10 oktober 2003 een watermeter is geplaatst. De meterstanden bedroegen achtereenvolgens: 4 m³ op 18 april 2006 (meteropnemer), 7 m³ op 5 maart 2007 (schatting), 9 m³ op 30 maart 2008 (telefonisch), 10 m³ op 17 november 2008 (telefonisch) en 10 m³ op 17 november 2008. Op 12 november 2009 en 17 november 2010 bedroeg de meterstand 10 m³. Tijdens het huisbezoek op 29 juli 2011 is geconstateerd dat de watermeter nog steeds op 10 m³ stond.

1.2.3.

Uit de bevindingen van het op 29 juli 2011 afgelegde huisbezoek op het uitkeringsadres volgt onder meer dat de enkele aangetroffen levensmiddelen meer dan twee jaar over de houdbaarheidsdatum waren, er geen wasmachine in de woning stond, er geen administratie aanwezig was, er geen lampen hingen in de woning en de televisie kapot was.

1.3.

De bevindingen van het vooronderzoek, neergelegd in een rapport van 9 september 2011, zijn aanleiding geweest om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. In dat kader is appellant op 28 september 2011 verhoord. De bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 september 2009. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 20 september 2011 de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2011 in te trekken.

1.4.

Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft het college de bijstand over de periode van 2 maart 2007 tot en met 31 augustus 2011 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 58.904,67 teruggevorderd.

1.5.

Aan de besluiten van 20 september 2011 en 28 oktober 2011 ligt ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat appellant zijn hoofdverblijf niet heeft op het door hem opgegeven (uitkerings)adres. Appellant heeft daarvan geen melding gedaan bij het college. Daarmee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6.

Bij besluit van 23 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 20 februari 2012, de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 20 september 2011 en 28 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant woonde hij wel op het uitkeringsadres en heeft hij een plausibele verklaring gegeven voor het lage water- en energieverbruik. Zijn leven speelt zich vrijwel volledig op de sportschool af. Appellant gebruikt het uitkeringsadres slechts om te slapen, hoewel hij soms ook wel eens enkele dagen elders logeert. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant gewezen op de door hem ingebrachte verklaringen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking van bijstand met ingang van 1 september 2011 niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In samenhang bezien met de in het besluit van

28 oktober 2011 vermelde intrekkingsperiode die aanvangt op 2 maart 2007, betekent dit dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 2 maart 2007 tot en met 20 september 2011

(te beoordelen periode).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant in de te beoordelen periode woonde op het uitkeringsadres. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van schending van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de belanghebbende recht heeft op bijstand.

4.4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag vormen voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet daadwerkelijk woonachtig was op het uitkeringsadres.

4.4.1.

Daarbij wordt met name betekenis toegekend aan het uit het onderzoek gebleken extreem lage waterverbruik. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het totale waterverbruik sinds de plaatsing van de watermeter op 10 oktober 2003 tot de dag van het huisbezoek op 29 juli 2011 10 m³ bedroeg. Van 5 maart 2007 tot 29 juli 2011 bedroeg het waterverbruik 3 m³. Met een dergelijk extreem laag waterverbruik is het niet aannemelijk dat appellant heeft gewoond op het uitkeringsadres. De stelling van appellant, dat hij weinig thuis is omdat zijn leven zich vrijwel volledig op de sportschool afspeelt en dat hij daar van de sanitaire voorzieningen gebruikt maakt, verklaart niet het extreem lage waterverbruik. Daarnaast is het verbruik van elektriciteit en gas in de woning van appellant in de te beoordelen periode, afgezet tegen een gemiddeld verbruik voor een eenpersoonshuishouden, ook extreem laag geweest en sinds 2009 zelfs nihil.

4.4.2.

De bevindingen van het huisbezoek op 29 juli 2011 bieden eveneens steun voor de conclusie dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Zo zijn in de keuken alleen wat levensmiddelen, zoals pasta, koffie, brinta en hagelslag aangetroffen met een uiterste houdbaarheidsdatum tot en met 2008 of 2009. Van de potten sportvoeding was de houdbaarheidsdatum verstreken met twee jaar, en van de open zak chips in de woonkamer was de uiterste houdbaarheidsdatum augustus 2007. In de woning is geen administratie aangetroffen, er hingen geen lampen in de woning, er was geen wasmachine, de TV was kapot en een televisieaansluiting ontbrak. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat appellant op een viertal dagen voorafgaand aan het huisbezoek niet is aangetroffen op het uitkeringsadres.

4.4.3.

Aan de door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van een buurman, een trainer en de eigenaar van de sportschool, kan niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan wenst toe te kennen. Deze verklaringen zijn achteraf opgesteld en onvoldoende specifiek. Dat appellant vaak in de sportschool is om te trainen en sporters te helpen bij de kickboks-training ondersteunt niet het standpunt van appellant dat hij woont op het opgegeven adres.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat appellant in de periode van 2 maart 2007 tot en met

20 september 2011 niet woonachtig is geweest op het uitkeringsadres. Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting hiervan bij het college geen melding gemaakt. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 2 maart 2007 in te trekken en de over de periode van 2 maart 2007 tot en met 31 augustus 2011 gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen. Appellant heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de wijze waarop het college van deze bevoegdheden gebruik heeft gemaakt.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) A.M. Overbeeke

de griffier is buiten staat te ondertekenen

HD