Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
12-590 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:466) heeft het college een nieuw besluit genomen. Het college heeft overwogen dat met het advies van De Vries is komen vast te staan dat de door appellant gevolgde modules de kansen van appellant op de arbeidsmarkt niet vergroten. Dit advies is consistent en overtuigend. Het college heeft de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van het volgen van de opleidingsmodules terecht gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/590 WWB

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

21 december 2011, 11/1053 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in dit geding op 18 februari 2014 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:466, gedaan.

Op 1 april 2014 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar van 31 maart 2014 (bestreden besluit) ingezonden.

Appellant heeft bij brieven van 1 mei 2014 en 26 mei 2014 zijn zienswijze over dat besluit naar voren gebracht en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Met toepassing van 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.

2.

Bij de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het college de afwijzing van het verzoek van appellant om een scholingsbudget voor het volgen van een aantal modules aan de universiteiten van Amsterdam en Leiden niet heeft mogen baseren op het daarover door een adviesbureau uitgebracht advies. Bij de tussenuitspraak is het college opgedragen het gebrek in het besluit van 17 juni 2011, genomen op het bezwaar tegen het primaire besluit van

11 maart 2011, te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak. De Raad heeft overwogen dat het geconstateerde gebrek kan worden hersteld, bijvoorbeeld na het inwinnen van een nieuw advies over de vraag of de kansen van appellant op de arbeidsmarkt door het volgen van de door hem opgegeven opleidingsmodules werden vergroot.

3.

Het college heeft mr. R. de Vries, Loopbaanspecialist en Register Loopbaanconsultant CMI-C (De Vries), gevraagd advies uit te brengen over de in 2 (slot) geformuleerde vraag. De Vries komt in zijn advies tot de conclusie dat de door appellant gewenste opleidingen niet bijdragen aan een vergroting van zijn kansen op de arbeidsmarkt. Gelet op dit advies heeft het college bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2011 (opnieuw) ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

4.

Appellant heeft zich ook tegen het bestreden besluit gekeerd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Uit onderdeel 4.3.4. van de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit 17 juni 2011 zal gegrond worden verklaard en dat besluit zal worden vernietigd op de in de tussenuitspraak vermelde grond.

5.2.

Het bestreden besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrokken.

5.3.

In het bestreden besluit heeft het college onder meer overwogen dat met het advies van De Vries is komen vast te staan dat de door appellant gevolgde modules de kansen van appellant op de arbeidsmarkt niet vergroten.

5.4.

In zijn advies merkt De Vries op dat het bij de door appellant gevolgde modules gaat om academische basisleerstof. Zo zijn de modules Calculus I en II basisvakken voor studenten wis- en natuurkunde. Dit past volgens De Vries bij de wens van appellant om in algemene zin academische kennis te verkrijgen. Volgens De Vries zou appellant moeten kiezen voor een opleiding die leidt tot het verkrijgen van in de bedrijfspraktijk direct toepasbare kennis. Daarbij heeft De Vries in aanmerking genomen dat appellant al geruime tijd niet meer werkzaam is in de sector waar hij werkzaam wil zijn, waardoor zijn bedrijfs- en sectorspecifieke kennis inmiddels achterhaald is en dat de laatste scholingsactiviteit voor een ondersteunende functie in het bedrijfsleven dateert uit 2005. De Raad acht dit advies consistent en overtuigend.

5.5.

Appellant heeft in brief van 1 mei 2014 tegenover dat advies alleen zijn eigen oordeel gesteld. Hij heeft onder meer toegelicht dat hij met de door hem gevolgde opleidingen antwoord wilde krijgen op bij hem levende wetenschappelijke vragen waarmee hij verder zou kunnen, met name op farmaceutisch gebied, en dat hij de modules succesvol heeft afgerond. Hij heeft verder in zijn brief aan de Raad van 26 mei 2014 verslag gedaan van door hem gelegde contacten met enkele Pharma Multinationals, de Universiteit van Maastricht en het Academisch ziekenhuis Maastricht over de mogelijke ontwikkeling van producten en uitwerking van ideeën. Uit de door appellant verstrekte informatie is niet gebleken dat deze contacten tot concrete resultaten hebben geleid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt waarom het standpunt van De Vries, inhoudende dat een meer op de bedrijfspraktijk gerichte opleiding voor hem is aangewezen, onjuist is en hij heeft met de door hem overgelegde stukken evenmin aannemelijk gemaakt dat met de door hem gevolgde opleidingsmodules zijn kansen op de arbeidsmarkt werden vergroot.

5.6.

Gelet op 5.4 en 5.5, heeft het college de ontkennende beantwoording van de in overweging 2 (slot) geformuleerde vraag kunnen baseren op het advies van De Vries. Wat appellant verder nog naar voren heeft gebracht over de gang van zaken met betrekking tot zijn verzoek tot het volgen van de in geding zijnde modules leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat het college de afwijzing van het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van het volgen van de opleidingsmodules bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd.

5.7.

De conclusie is dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.

6.

De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 45,80 wegens gemaakte reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het besluit van 17 juni 2011;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 45,80;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD