Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-2724 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. Appellant is tweemaal niet verschenen op een gesprek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2724 WWB

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 april 2013, 13/102 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Seddigh Afshar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/5579 plaatsgevonden op 10 juni 2014. Voor appellant is verschenen mr. P.M.J. Körver, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schokker. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Voor appellant gelden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Appellant is in het kader van een re-integratietraject door Werkplan Arbeidsintegratie Delft (Werkplan) uitgenodigd voor een gesprek op 24 april 2012. Appellant is niet verschenen op dit gesprek. Dit was aanleiding voor het college om bij besluit van 3 mei 2012 de bijstand van appellant gedurende één maand met 20% te verlagen. De maatregel is uit coulance gematigd naar 0% in verband met de psychische klachten van appellant. Appellant heeft tegen het besluit van 3 mei 2012 geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellant is opnieuw uitgenodigd voor een gesprek bij Werkplan op 14 mei 2012, waar hij niet is verschenen. Appellant is vervolgens schriftelijk, per e-mailbericht en per voicemailbericht uitgenodigd voor een gesprek op 15 mei 2012. De schriftelijke uitnodiging voor 15 mei 2012 is door medewerkers van Werkplan persoonlijk bij appellant in de brievenbus gedaan. Appellant is wederom niet verschenen. Op 24 mei 2012 heeft een bijstandsconsulent telefonisch contact opgenomen met appellant. Appellant gaf in het telefoongesprek toe dat hij twee keer niet op een gesprek was verschenen.

1.4.

Bij besluit van 24 mei 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2012 gedurende één maand met 100% verlaagd.

1.5.

Hangende bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2012 heeft een psycholoog Arbeid en Gezondheid van Argonaut Advies in opdracht van de gemeente op 27 juni 2012 een psychologische screening bij appellant uitgevoerd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 28 juni 2012. De psycholoog heeft op basis van het onderzoek geconcludeerd dat appellant stressklachten ervaart en bekend is met depressieve klachten. Volgens de psycholoog is appellant belastbaar is voor arbeid, vrijwilligerswerk of het volgen van een re-integratietraject. Daarbij dient er rekening mee te worden gehouden dat hij zich vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek kan gaan verzetten op het moment dat een werkomgeving bij hem spanningen oproept. Appellant draagt echter zelf nauwelijks alternatieven aan en toont een zeer beperkte inspanning in het zoeken naar werk. In die zin lijkt het zinvol om een periode actieve, praktische ondersteuning en begeleiding te bieden om te kijken of daardoor de weerstand te verminderen is en hij aan het werk kan.

1.6.

De bijstandsconsulent heeft naar aanleiding van de rapportage van 28 juni 2012 in een rapportage van 3 juli 2012 geconcludeerd dat de begeleiding die Werkplan biedt in de vorm van een praktijkdiagnose, individuele begeleiding en workshops uitstekend invulling geeft aan het advies van de psycholoog.

1.7.

Bij besluit van 23 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat vaststaat dat appellant op 14 en 15 mei 2012 niet op gesprek bij Werkplan is verschenen. Nu het een herhaling betreft van een verwijtbare gedraging van de derde categorie, heeft het college een maatregel van 100% voor de periode van één maand opgelegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel niet opgelegd zou moeten worden of zou moeten worden gematigd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet is in geschil dat appellant tweemaal niet is verschenen op een gesprek met Werkplan, wat op grond van artikel 9, derde lid, aanhef en onder f (de Raad leest: g), van de Maatregelenverordening WWB 2012 van de gemeente Delft (Maatregelenverordening) een gedraging oplevert van de derde categorie. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Maatregelenverordening past hierbij in beginsel een maatregel van 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij zich op 14 mei 2012 tijdig telefonisch heeft afgemeld voor het gesprek op die dag en dat hij zowel de persoonlijk bezorgde schriftelijke uitnodiging als de op zijn voicemail ingesproken uitnodiging voor het gesprek op 15 mei 2014 niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat beide stellingen onvoldoende aannemelijk zijn. Hierbij is van belang dat appellant dit bij eerdere gelegenheden, bijvoorbeeld in het telefoongesprek op 24 mei 2012 met zijn bijstandsconsulent of in bezwaar, niet heeft gemeld maar dit pas ter zitting bij de rechtbank voor het eerst heeft aangevoerd.

4.3.

Appellant heeft verder betoogd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij psychische klachten heeft die hem belemmeren om afspraken te maken en na te komen. Dit betoog slaagt niet. Het college heeft vóór het nemen van het bestreden besluit advies gevraagd aan een psycholoog van Argonaut Advies. Uit de conclusie in de onder 1.5 genoemde rapportage blijkt dat appellant weliswaar psychische klachten en persoonlijkheidsproblemen heeft, maar hieruit blijkt niet dat appellant vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat was om op afspraken te verschijnen in het kader van zijn re-integratietraject. Appellant heeft geen gegevens aangedragen die doen twijfelen aan het rapport van Argonaut Advies, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat appellant geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Er is evenmin reden om appellant te volgen in zijn standpunt dat de besluitvorming onzorgvuldig is omdat het college heeft nagelaten aandacht te besteden aan de psychische gesteldheid van appellant. Onder deze omstandigheden ziet de Raad dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen zoals door appellant ter zitting is verzocht.

4.4.

Appellant was eerder, op 24 april 2012, niet verschenen op een afspraak bij Werkplan om zijn staptraject te bespreken. Daarvoor heeft het college bij besluit van 3 mei 2012, een maatregel van 20% gedurende een maand opgelegd. Dat het college die maatregel vervolgens coulancehalve heeft gematigd tot 0%, maakt niet, zoals appellant heeft betoogd, dat die maatregel niet meetelt voor de vaststelling of sprake is van recidive. Volgens artikel 10, tweede lid, en aanhef, van de Maatregelenverordening tellen bij de vraag of sprake is van recidive ook maatregelen mee die zijn gematigd. Nu appellant zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een gedraging van dezelfde categorie was het college bevoegd om op grond van artikel 10, tweede lid, onder b, van de Maatregelenverordening de standaardmaatregel van 20% wegens recidive te verhogen naar 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

4.5.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging hem kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeerde het college aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening de opgelegde maatregel nader af te stemmen en te beperken tot een lager percentage of een kortere duur.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) A.M. Overbeeke

De griffier is buiten staat te ondertekenen

JvC