Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2466

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
13-3327 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellant verricht op geld waardeerbare werkzaamheden in een als reparatiewerkplaats voor auto’s ingerichte garagebox, die ook door de broer van appellant als zodanig wordt gebruikt. Gezien het vermoeden van fraude maken de waarnemingen ter plaatse geen inbreuk op zijn privéleven als bedoeld in art. 8 EVRM. De rechtbank heeft de proceskostenveroordeling ten onrechte beperkt tot het indienen van het beroepschrift.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/293

Uitspraak

13/3327 WWB

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2013, 12/6534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Berends, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berends. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 6 september 2010 bijstand op grond van de Wet en werk bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme telefonische mededeling van 30 mei 2012 dat appellant zwart werkt in een garage op het adres [adres]

(garage-adres) hebben handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten dossieronderzoek verricht en vanuit het kantoor van de DWI op de zevende verdieping, van waaruit zicht is op het garage-adres, in de periode van 20 juni 2012 tot en met 17 juli 2012 op werkdagen dagelijks met behulp van een verrekijker waarnemingen verricht (dagelijkse waarnemingen). Daarnaast hebben de handhavingsspecialisten op 20 juni 2012 en 4 en

13 juli 2012 waarnemingen verricht bij het garage-adres (waarnemingen ter plaatse). Eerstgenoemde waarneming ter plaatse vond plaats van 11.50 uur tot 11.55 uur, de twee andere waarnemingen vonden plaats omstreeks 10.15 uur, respectievelijk 13.00 uur, door met een auto langs dat adres te rijden. In een rapport van 20 juli 2012, waarin de resultaten van het onderzoek zijn neergelegd, is opgenomen dat appellant bij de dagelijkse waarnemingen steeds is gezien. Over de waarnemingen ter plaatse is vermeld: “[De handhavingsspecialist] zag klant sleutelen aan een auto”. Op 18 juli 2012 hebben de handhavingsspecialisten een gesprek met appellant gevoerd. Tijdens dat gesprek heeft appellant verklaard dat hij dagelijks bij zijn broer is, dat het dus logisch is dat de handhavingsspecialisten hem in de garage hebben gezien, dat appellant daar dagelijks is, omdat zijn broer een moeilijke tijd achter de rug heeft, dat appellant sinds de moeilijke tijd van zijn broer dagelijks bij zijn broer en dus ook in de garage is en dat dit sinds 2011 zo is.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

30 juli 2012 de bijstand van appellant met ingang 1 januari 2011 in te trekken. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant inkomsten heeft uit op geld waardeerbare werkzaamheden.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2012 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

30 juli 2012 ongegrond verklaard.

1.5.

Hangende het beroep bij de rechtbank tegen het besluit van 19 november 2012 heeft het college bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) het besluit van 19 november 2012 gewijzigd in die zin dat de bijstand niet per 1 januari 2011 wordt ingetrokken, maar per 20 juni 2012. Aan het bestreden besluit heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant is in ieder geval vanaf 20 juni 2012 dagelijks aanwezig geweest in het bedrijfspand dat zijn broer sinds lange tijd huurt. Het college gaat er vanuit dat appellant daar bedrijfsmatige werkzaamheden verricht. Voor de dagelijkse aanwezigheid van appellant is geen andere aannemelijke reden te vinden dan dat hij daar op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. Deze conclusie wordt ondersteund door de waarnemingen ter plaatse, waarbij de handhavingsspecialisten appellant op drie verschillende data hebben zien sleutelen aan een auto. Overeenkomstig de rechtspraak over dit onderwerp, is het aannemelijk dat appellant inkomsten heeft genoten voor zijn werkzaamheden. Aangezien appellant over de hoogte daarvan geen inlichtingen heeft verstrekt, is sprake van oncontroleerbare inkomsten en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.6.

Het college heeft appellant met ingang van 18 oktober 2012 weer bijstand verleend.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 19 november 2012 mede gericht geacht tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verder het college veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 472,-. Dit betreft uitsluitend het indienen van het beroepschrift.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard en voor zover het de proceskosten betreft.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

Appellant heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

16 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:785, dat met de dagelijkse waarnemingen en de waarnemingen ter plaatse een inbreuk is gemaakt op zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens appellant is deze inbreuk niet noodzakelijk en zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet in acht genomen, omdat het vermoeden van fraude slechts was gebaseerd op een anonieme telefonische melding en omdat het college eerst een minder belastend onderzoeksmiddel dan waarnemingen had kunnen inzetten.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307) kan een anonieme tip, mits relevant, concreet en voldoende onderbouwd, over een persoon die bijstand ontvangt, aanleiding geven voor het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. De wettelijke grondslag voor het verrichten van waarnemingen is gelegen in artikel 53a van de WWB. Op grond van de in dit geval ontvangen anonieme tip, die specifiek en concreet was, bestond voor het college voldoende aanleiding de juistheid daarvan door middel van waarnemingen te onderzoeken. Anders dan in het geval van de door appellant genoemde uitspraak van

16 juli 2013, bestond in het geval van appellant een vermoeden van fraude. Gelet op het doel van de waarnemingen, namelijk om vast te stellen of appellant op het garage-adres op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, was een relatief lange periode van waarnemingen gerechtvaardigd. De inbreuk op het recht op het privéleven van appellant is beperkt gebleven door de wijze waarop de waarnemingen hebben plaatsgevonden: kortstondige blikken vanuit het DWI-kantoor met behulp van een aldaar aanwezige verrekijker en een gering aantal kortstondige waarnemingen vanaf de openbare weg.

4.3.

Appellant heeft voorts, samengevat, het volgende aangevoerd. De garage op het garage-adres is geen officieel garagebedrijf, maar een garagebox, waar de broer van appellant wat bijklust. De waarnemingen ter plaatse zijn, wat betreft het sleutelen aan auto’s, niet nader geconcretiseerd en niet structureel van aard en bieden daarom onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant in deze garagebox op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De broer van appellant heeft ernstige psychische problemen, functioneert minimaal en steunt volledig op familie. Onder deze omstandigheden wekt het geen bevreemding dat appellant toezicht houdt op de dagelijkse bezigheden van zijn broer.

4.4.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 20 juni 2012, de bij het bestreden besluit vastgestelde aanvangsdatum van de intrekking, tot en met 30 juli 2012, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.5.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.6.

Vast staat dat op het garage-adres niet een officieel garagebedrijf is gevestigd, maar een garagebox, die de broer van appellant al jaren huurt, dat de garagebox is voorzien van een brug om auto’s op te zetten en van gereedschappen en dat de broer van appellant in de garagebox reparaties aan auto’s uitvoert en daarmee inkomsten genereert. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode dagelijks bij zijn broer in de garagebox was.

4.7.

Zoals de rechtbank terecht in lijn met vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:BW6034) heeft overwogen, rechtvaardigt de aanwezigheid van een betrokkene tijdens reguliere arbeidstijden op een bestaande werkplek de vooronderstelling dat de betrokkene ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht.

4.8.

De garagebox op het garage-adres is ingericht als reparatiewerkplaats voor auto’s en wordt door de broer van appellant ook als zodanig gebruikt. Gelet hierop moet de garagebox worden aangemerkt als bestaande werkplek in de in 4.7 bedoelde zin. Aangezien appellant daar op werkdagen tijdens reguliere arbeidstijden aanwezig was, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vooronderstelling is gerechtvaardigd dat appellant in de garagebox op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en dat het aan appellant is om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.9.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Appellant heeft in bezwaar een brief overgelegd van een psychiater van ‘Acuut Behandel Team Noord’ van 20 augustus 2012 waarin is vermeld: “Patiënt [- de broer van appellant -] functioneert minimaal en steunt volledig op familie, waardoor een klinische opname vooralsnog afgewend kon worden.” Uit deze brief valt af te leiden dat de broer van appellant alleen met hulp van zijn familie kan functioneren. Gelet hierop is het mogelijk dat appellant, zoals hij heeft gesteld, zich dagelijks in de garagebox ophield om toezicht te houden op zijn broer. Dat appellant mogelijk om die reden in de garagebox aanwezig was, sluit, gelet op het overwogene onder 4.6, echter niet uit dat hij daar (ook) op geld waardeerbare arbeid verrichtte. Hier komt bij dat bij de waarnemingen ter plaatse driemaal is waargenomen dat appellant aan auto’s sleutelde. Hoewel niet is gespecificeerd wat het sleutelen inhield, is dit wel een indicatie dat appellant op de ‘sleutelmomenten’ op geld waardeerbare (reparatie)werkzaamheden verrichtte.

4.10.

Uit 4.6 tot en met 4.9 volgt dat de in 4.3 verwoorde beroepsgronden niet slagen.

Proceskosten

4.11.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de proceskostenveroordeling ten onrechte heeft beperkt tot het indienen van het beroepschrift. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank had daarom ook een vergoeding voor het bijwonen van de zitting moeten toekennen.

4.12.

De rechtbank heeft wat is overwogen in 4.11 niet onderkend. De aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de proceskosten, dient daarom te worden vernietigd. Het college dient alsnog in de kosten voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank door appellant te worden veroordeeld, zoals is voorzien in 5. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5.

De kosten voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank worden bepaald op € 487,-. Tevens bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de

proceskostenveroordeling;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.461,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD