Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
13-2436 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht nabestaandenuitkering met ingang van 1 september 2008 herzien en verminderd tot een bedrag van 30% van het bruto minimumloon omdat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Raad oordeelt anders dan de rechtbank dat uit de onderzoeksfeiten en omstandigheden blijkt dat er geen sprake is van een zakelijke kostgangersrelatie. Die feiten en omstandigheden gaven er blijk van dat betrokkene en haar medebewoner zorg droegen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2436 ANW

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 14 januari 2013, 12/1479 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 april 2013, 12/1479 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. ing. J.T.M. van Alebeek, gemachtigde, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend. Mr. ing. Van Alebeek heeft eveneens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. ing. Van Alebeek.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 1 januari 1982 een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), dat met ingang van 1 juli 1996 is omgezet naar een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Betrokkene heeft bij haar aanvraag om een AWW-uitkering als woonadres opgegeven het adres [adres] (uitkeringsadres). Het uitkeringsadres is sindsdien ongewijzigd gebleven.

[naam] huurt vanaf 26 juni 1990 een zolderkamer bij betrokkene en is vanaf 1 augustus 1994 medehuurder van de woning op het uitkeringsadres.

1.2.

Tijdens verschillende heronderzoeken onder meer in 1997, 2006 en 2008 heeft betrokkene verklaard dat de huur-/kostgangerrelatie ongewijzigd is.

1.3.

In verband met een heronderzoek commerciële relatie in 2011 hebben toezichthouders van appellant op 28 januari 2011 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres om de woon- en leefsituatie van betrokkene en[naam] op het uitkeringsadres vast te stellen. Tijdens dit huisbezoek is een checklist ingevuld die door betrokkene is ondertekend. Op

15 april 2011 heeft een tweede huisbezoek plaatsgevonden en hebben de toezichthouders met [naam] gesproken die eveneens een checklist heeft ondertekend. Verder hebben de toezichthouders dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd, gegevens van het waterverbruik op het uitkeringsadres opgevraagd en waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

18 april 2011.

1.4.

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft appellant de nabestaandenuitkering van betrokkene met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 30% van het bruto minimumloon. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren.

1.5.

Bij besluit van 16 november 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 juli 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard en de nabestaandenuitkering van betrokkene met ingang van 1 september 2008 herzien en de uitkering verminderd tot een bedrag van 30% van het bruto minimumloon. De besluitvorming van appellant berust op de grondslag dat betrokkene en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren.

2.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld een motiveringsgebrek te herstellen. Omdat appellant daartoe niet is overgegaan, heeft de rechtbank bij de aangevallen einduitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat appellant zijn standpunt dat betrokkene en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar is sprake van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning, maar appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van wederzijdse zorg.

3.

Tegen de aangevallen uitspraken heeft appellant aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het vaststellen van de wederzijdse zorg. Tussen betrokkene en [naam] is sprake van een financiële verstrengeling die niet gebruikelijk is in een zakelijke relatie. Daarnaast is ook sprake van wederzijdse zorg anderszins.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 september 2008 tot en met 26 juli 2011.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De rechtbank heeft vastgesteld en door betrokkene is niet betwist dat betrokkene en [naam] in de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en de hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bieden de onderzoeksbevindingen een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van appellant dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Tijdens het huisbezoek op 15 april 2011 heeft [naam] verklaard dat hij dagelijks met betrokkene de maaltijd nuttigt en de maandelijkse contributie van appellante voor een dansvereniging betaalt. Betrokkene heeft in bezwaar aangevoerd dat de dansvereniging een initiatief van [naam] is en hij als dank voor haar rol als vrijwilliger bij deze vereniging haar contributie betaalt. Betrokkene heeft tijdens het huisbezoek op

28 januari 2011 verklaard dat zij en [naam] op de avonden dat zij naar de dansvereniging gaan, gezamenlijk de maaltijd gebruiken. Dit is éénmaal per week. Op de checklist heeft zij verklaard af en toe gezamenlijk de maaltijden te gebruiken. Verder hebben zowel betrokkene als [naam] op de door hen ondertekende checklist verklaard dat [naam] een bijdrage heeft geleverd bij de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, zoals de wasmachine en het gasfornuis, van betrokkene. Ook heeft [naam] betrokkene financieel bijgestaan als zij krap bij kas zat. Daarnaast is [naam] sinds 1 augustus 1994 medehuurder van de woning op het uitkeringsadres. Hij mag gebruik maken van de gehele woning, met uitzondering van de kamer van betrokkene [naam] heeft overigens wel verklaard dat hij zijn ondergoed in een kast op de kamer van betrokkene bewaarde. Daarnaast heeft betrokkene in de door haar op

28 januari 2011 ondertekende checklist verklaard dat zij voor [naam] de was doet en strijkt en dat zij het huishouden doet. Ook gaan zij gezamenlijk naar de markt. [naam] helpt bij het tuinonderhoud en verricht soms huishoudelijke klussen zoals het stofzuigen. De genoemde feiten en omstandigheden gaan wat in een zakelijke kostgangersrelatie gebruikelijk is te boven en wijzen uit dat betrokkene en [naam] ten tijde van belang er blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak zullen worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

JvC