Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2460

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
12-3382 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand voor proceskosten terecht afgewezen. Geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het om noodzakelijke kosten gaat. Een enkele ontvangstbevestiging van een beroepschriift door de Hoge Raad is onvoldoende. Niet te beoordelen of de proceskosten zich voordoen of hebben voorgedaan. Overeenkomstig ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5700 geldt de eis van onafhankelijkheid niet voor de secretaris van de ingeschakelde adviescommissie. College geen dwangsom verschuldigd omdat dat college niet in gebreke is gesteld. Verzoek appellant in de proceskosten te veroordelen afgewezen: het enkele feit dat appellant gebruik heeft gemaakt van het rechtsmiddel van wraking is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3382 WWB

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

26 april 2012, 11/2245 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 22 december 2010 bijzondere bijstand aangevraagd voor proceskosten. Naar aanleiding hiervan heeft het college appellant verzocht om nadere gegevens te verstrekken over de noodzakelijkheid en de kosten van de procedures waarop de aanvraag betrekking heeft. Appellant heeft op 4 februari 2011 een eigen verklaring overgelegd waarin hij schrijft dat het voeren van rechtszaken noodzakelijk is. Bij besluit van

8 februari 2011 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de hem bij brief van 25 januari 2011 gegeven hersteltermijn heeft overgelegd.

1.2.

Bij besluit van 27 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college, overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaarschriften (adviescommissie), het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2011 gegrond verklaard en de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat kosten als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB) zich ten tijde van het besluit van 8 februari 2011 nog niet hebben voorgedaan. Voor toekomstige onzekere kosten kan geen bijstand worden verleend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Adviescommissie

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de adviescommissie niet onafhankelijk is omdat de secretaris van die commissie werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college. Deze grond treft geen doel. Artikel 7:13, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie is ingesteld, de voorzitter van de adviescommissie geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. De Raad heeft in zijn uitspraak van

26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5700, geoordeeld dat de eis van onafhankelijkheid niet geldt voor de secretaris van de commissie. Dat de secretaris werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college, is daarom niet in strijd met artikel 7:13, eerste lid, van de Awb.

Aanvraag

4.2.

Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.3.

Bij de toepassing van dit artikellid dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.4.

Anders dan appellant stelt, heeft hij geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd op grond waarvan het college kan beoordelen op welke procedure(s) de aanvraag van appellant ziet en om welke kosten het gaat. Zonder deze gegevens is het college niet in staat te beoordelen of sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van het onder 4.2 genoemde artikellid. Het enkele feit dat appellant stelt dat het voeren van verschillende procedures noodzakelijk is en dat daaraan kosten verbonden zijn, is hiervoor onvoldoende. De enkele ontvangstbevestiging door de Hoge Raad der Nederlanden van 6 januari 2012 van een door appellant ingediend beroepschrift in cassatie kan hiertoe evenmin dienen. Dit betekent dat het college niet kan beoordelen of de gevraagde kosten zich voordoen dan wel hebben voorgedaan. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag van appellant afgewezen.

Dwangsommen

4.5.

De grond van appellant dat het college een dwangsom verschuldigd is, slaagt niet. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid van de Awb, voor zover hier van belang, verbeurt het college aan de aanvrager een dwangsom indien een beschikking op de aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Appellant heeft het college niet in gebreke gesteld, zodat alleen al hierom geen dwangsom verschuldigd kan zijn.

Proceskosten

5.

Het college heeft de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten van het college op de grond dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht. Hiertoe heeft het college aangevoerd dat het, door de door appellant in het kader van deze procedure ingediende verzoeken om wraking, tot tweemaal toe naar de Raad is gekomen zonder dat de zaak inhoudelijk is behandeld.

5.1.

Geen aanleiding bestaat dit verzoek toe wijzen. Het enkele feit dat appellant gebruik heeft gemaakt van het hem toekomende rechtsmiddel van wraking is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.R. Schuurman

HD